vrijdag 4 november 2016

Dissociatie en praeteritio in het Witte Huis.


Deze week zagen we in het tv-nieuws Josh Earnest, de perswoordvoerder van het Witte Huis, aan het werk. Het ging over de 'oktobersurprise' van FBI-chef Comey voor presidentskandidate Hillary Clinton, 10 dagen vóór de verkiezingsdag: de heropening van het onderzoek naar haar e-mails via een private server. En de verzamelde pers wilde nu weten wat president Obama te zeggen had over deze bom onder de Democratische kiescampagne, gelegd door een Republikein.

Het Journaal presenteerde alleen de meest saillante passages van wat een veel langere persbijeenkomst was geweest. Maar ik was echt verrast. Niet om wát er gezegd werd (en wat in de meeste persberichten letterlijk overgenomen werd, hier bijv.). Maar hoé het gezegd werd. Deze Josh Earnest stond daar rustig, bijna nonchalant, met een paar retorische wendingen duidelijk te maken aan de verzamelde journalisten, dat wát hij zei maar de helft van het verhaal was. Als ze doorhadden hoé hij zijn mededeling formuleerde zouden ze een dubbele bodem kunnen zien. Maar zo'n oefening vergt vermoedelijk meer tijd dan een doorsneejournalist tot zijn beschikking heeft.

Een kleine excursus is op zijn plaats als we het over het hoe van een mededeling hebben. Van Aristoteles namelijk stammen de begrippen die het hoe vertegenwoordigen waarmee een redenaar zijn publiek tegemoet kan treden om hen te overtuigen: ethos, pathos, logos. Omdat wij mensen begiftigd zijn met verstand, zodat wij de logica of onlogica van uitspraken - de inhoud ervan - kunnen inzien, vond Aristoteles de logos (de Rede, de ratio) het enige geldige criterium voor een geslaagde redevoering. Maar tot zijn spijt klopte dat duidelijk niet met wat hij rond zich zag gebeuren: mensen lieten zich overtuigen door niet-inhoudelijke, irrationele elementen, via hun emoties (pathos) of door hun beoordeling van de persoon (ethos) van de spreker.

De kunst van de welsprekendheid, de Retorica, heeft sindsdien veel van haar pluimen verloren, al heel wat decennia, in Europa. Maar als je 'de grote plas' oversteekt naar dat andere stuk westerse beschaving (al hoor ik sommigen nu sceptisch lachen), dan lijkt het of je in een parallax gestapt bent, waar de kunst van het overtuigen wél de volle aandacht en waardering krijgt en met kennis van zaken beoefend wordt. Zoek op het net 'de grootste redenaars' op en je vindt er minstens 3 Amerikaanse presidenten onder. Om alleen die categorie te noemen.

Misschien dat de enorme hoeveelheid predikanten in de voornamelijk protestantse USA er de aandacht voor het woord, en hoe het te wenden, heeft doen behouden...
De woordvoerder van het Witte Huis mag dan wel geen predikant zijn, hij bewijst dat hij zijn salaris ten volle waard is, Gorgias' befaamde uitspraak indachtig: "Het woord is een machtig heerser".

De boodschap die hij moest brengen was: president Obama is neutraal en onpartijdig ten opzichte van FBI-baas Comey, die tot de politieke tegenpartij behoort. Daarvoor dient de openingszin in een reeks mededelingen die over dat onderwerp gaan:

1. I’ll neither defend nor criticize what Director Comey has decided to communicate to the public about this investigation (verdediging noch kritiek zal ik uiten over wat directeur Comey beslist heeft publiek bekend te maken over dit onderzoek.) De woordvoerder spreekt in de ik-vorm, maar verwoordt uiteraard Obama's mening. De belangrijkste woorden staan voorop en worden gepresenteerd als tegenstellingen. Criticize krijgt de betekenis van 'afkeuren'. De spreker presenteert Obama's houding als neutraal. Nu valt af te wachten welk beeld de toehoorder zich van hem vormt, hopelijk gunstig, want dat is de bedoeling. Geen pathos of logos, dit is pure ethos.

Maar zo gemakkelijk komt hij er niet van af. De mededeling ontlokt aan een journalist de vraag of dat niet betekent dat Obama zijn handen van Comey aftrekt, waar hij hem bij vroegere gelegenheden verdedigd heeft. Staat hij m.a.w. dus toch eerder negatief tegenover Comey? (Ethospeil: ongunstig).

2. Director Comey is a man of integrity, he's a man of principle, and he's a man of good character. (Directeur Comey is een integer persoon, heeft principes en heeft een goed karakter.) Dit en een nog uitgebreidere lofzang is het antwoord op het argument van de journalist. Het is een schoolvoorbeeld van dissociatie*. De man wordt van zijn daad 'afgesplitst'. Iemand prijzen bezorgt de spreker een ethisch pluspunt. Het probleem met dissociatie is natuurlijk dat dat andere element niet meer weggemoffeld kan worden: de daad.

En daarom neemt Earnest zijn toevlucht tot een stijlfiguur die zijn effectiviteit in de geschiedenis van de retoriek ten volle bewezen heeft en nog steeds bewijst. Maar eerst het citaat.

3. The president doesn't believe
- that Director Comey is intentionally trying to influence the outcome of an election
- that he's secretly strategizing to benefit one candidate or one political party
(de president gelooft niet a. dat directeur Comey met opzet probeert invloed uit te oefenen op de uitslag van een verkiezing, b. dat hij stiekem intrigeert ten voordele van één kandidaat of één politieke partij).
Ziezo, dit zijn twee, nee drie vliegen in één klap. De president is ethisch goed bezig, want hij denkt geen slecht van Comey. En we hebben hier een ietwat geniepige retorische wending waar de naam praeteritio op geplakt kan worden.** Obama gelooft niet dat Comey schuldig is aan wat vervolgens in het lang en het breed beschreven wordt. Dat wat ontkend wordt wordt opgeroepen in de geest van de toehoorder en blijft er als een hardnekkig spookbeeld hangen. De zinnen zijn zo zorgvuldig geformuleerd, dat toeval uitgesloten lijkt: dit is gepland. Hier vertelt Obama wat hij werkelijk vindt van Comey's beslissing.

Ook het gebruik van intentionally is goed overdacht. Obama vindt niet dat Comey het met opzet gedaan heeft, maar de beïnvloeding is wél een feit***. En hiermee is er ook een wending gekomen in de persmededeling. Het 'ethisch neutrale' wordt nog volgehouden, maar door de woord- en zinskeuze krijgen de negatieve connotaties de overhand.

4. He's in a tough spot (hij zit in een lastig parket).
De spreker lijkt met Comey 'mee te voelen'. Maar het a tough spot suggereert iets dat niet goed zit. En dan volgt een 'objectieve' beschrijving van die spot.

5.  And he's the one who will be in a position to defend his actions in the face of significant criticism from a variety of legal experts including officials who served in senior justice positions for presidents led by both parties. (En hij is de enige die geplaatst is om zijn daden te verdedigen tegenover aanzienlijke kritiek van de kant van verschillende juridische experts, onder wie ambtenaren die hoge justitiefuncties hebben uitgeoefend voor presidenten van beide politieke partijen).
De vertaling van dit stukje tekst is moeilijker. Ik heb de woorden die op verschillende manieren vertaald kunnen worden vetgedrukt. Ik vraag me af of de ambiguïteit met opzet gekozen is, of dat mijn kennis van het Engels hier te wensen overlaat. Duidelijk is in ieder geval dat deze tekst in feite een bedreiging formuleert aan het adres van Comey: je staat er alleen voor (geen ethische sympathie meer), je zult je moeten verdedigen (negatieve sfeer), want de kritiek op je actie is groot (kan significant hier ook bedoeld zijn als 'gegrond'?) en je zult justitie op je afkrijgen, American style.

Ik denk dat het interessant zou zijn meer van deze persconferenties uit te benen, wie weet wat we nog vinden:) Maar misschien is dat al gebeurd, zo politiek belezen ben ik nu ook weer niet.

--------------------------------
* Een overbekend voorbeeld van dissociatie vinden we bij Shakespeare: "I've come to bury Caesar, not to praise him".
** Eenvoudig voorbeeld van praeteritio: een spreker die een lofrede op Martin Luther King begint met "Ik zal het niet hebben over de vele keren dat King vreemdgegaan is".
*** In de aristotelische dialectiek wordt deze constructie als 'unfair' beschouwd, omdat er geen goede uitkomst kan verkregen worden: de vraag "Sla jij nog altijd je hond?" geeft een catch-22. Zowel met het antwoord 'ja' als het antwoord 'nee' kun je niet ontkennen dat je je hond slaat :) (= de 'drogreden van meerdere vragen')

zondag 23 oktober 2016

Een palindroom


Een paar dagen geleden ben ik een oude bekende tegengekomen op een - voor mij althans - onwaarschijnlijke plaats: The Daily Beast. Met de term 'oude bekende' overdrijf ik wel wat, het is eerder iets (nee, niet iemand) wat ik vergeten was. Een palindroom*. Hier is hij.

Het leuke eraan is dat je hem alle kanten uit kunt lezen, bijna - want niet diagonaal :). Het vervelende - voor sommigen - eraan is dat het Latijn is. Daarom even een vertaling van de regels, van boven naar beneden: de Zaaier - Arepo - Houdt - met Inspanning - Wielen. Een nietszeggend zinnetje. Totaal oninteressant. Arepo, wat is dat nou voor een naam? Zeker gekozen om de palindroom te doen kloppen?

Hij is teruggevonden op een zuil, en een huismuur, in Pompeii. (Op de foto hiernaast merk je dat er een andere volgorde gebruikt is dan hierboven.) En dus is dat nu wél interessant. Toch te meten aan de hoeveelheid papier die er over volgeschreven is. Met een hevige discussie over de oorsprong van het ding: is het christelijk of joods? Huh? Dit lijkt op het eerste gezicht kort door de bocht over zo'n onbenullig zinnetje. Maar dan ben je duidelijk een oppervlakkige lezer.

Want.

Men heeft er allerlei diepzinnige betekenissen in gezien, uit de christelijke traditie, die Wikipedia netjes bij elkaar gezet heeft. Uit de esoterie, de mystiek, de alchemie. Er is zelfs een passende verklaring voor 'Arepo' gevonden ('op de Akker').
Het leuke is weer, dat je met de letters een soort kruis kunt vormen met de aanhef van het Onze Vader terwijl je dan twee keer een 'a' en een 'o' over hebt - de Alpha en de Omega. Lees de wiki en word niet duizelig.

Maar nu ben ik wat te snel aan het gaan. Terug naar Pompeii en de daar gevonden inscriptie. Die moet gekrast zijn vóór die beruchte uitbarsting van de Vesuvius in 79 n.C. Ik dacht even: kan toch ook daarna gebeurd zijn? Tijdens het plunderen bijvoorbeeld? Nee dus, de inscriptie is pas aan het licht gekomen bij opgravingen in 1929. Dé grote vraag is: woonden er al christenen in Pompeii? Christus was nog maar ca. 50 jaar dood, en de beweging met Paulus aan het hoofd stond nog in de kinderschoenen. (Paulus verbleef in Rome vanaf het jaar 60 tot aan zijn dood in ca. 67.)

De kwestie is van alle kanten bekeken en het zou uitgesloten zijn dat er al christenen in Pompeii waren. Allerlei argumenten worden aangehaald om te bewijzen dat het Satorvierkant geen christelijke, maar een joodse oorsprong heeft. Het kruis is pas in latere eeuwen een christelijk symbool geworden. En de joden hebben ook een onze-vader-traditie. En de eerste christenen waren ook joden. Enz. Allemaal aangehaald in The Daily Beast. Maar eigenlijk interesseert die oorsprong mij maar matig; het is de tocht van die palindroom door de christelijke wereld die me boeit.

De oudste gevonden satorpalindroom tot nu toe is die van Pompeii. Er waren al eerdere vondsten gedaan die stamden uit een latere Romeinse periode - aan de Eufraat, in Engeland en een in Hongarije, in 1954. Een behoorlijke spreiding. Wat de oorspronkelijke duistere, kryptische betekenis van de palindroom ooit geweest mag zijn, blijkbaar was de aantrekkingskracht ervan zo groot dat het vierkant is blijven opduiken in de christelijke wereld tot in de 19e eeuw. Met een veelvoud aan 'duidingen' al naargelang het paste in het kraam van de duider.

Het vierkant werd als een gunstige invloed gezien voor vrouwen in barensnood (13e eeuw), als bescherming tegen brand bij aanraking van een steen met de afbeelding erop (15e eeuw), als uiterst effectief voor het genezen van krankzinnigheid en koorts (16e eeuw): een inwoner van Lyon bleek genezen van zijn krankzinnigheid na het eten van drie korsten brood met daarop het magisch vierkant.
Ook in Afrika duikt het op, zij het al behoorlijk vervormd: in de 17e eeuw ontdekte een zekere Kirchner dat Ethiopische Kopten hun Heiland aanriepen door de vijf nagels van het Kruis op te sommen, met name SADOR, ALADOR, DANET, ADERA, RODAS. En in Cappadocië, in het huidige Turkije, bleken de herders bij de stal van de geboorte van Christus de namen SATOR, AREPON, en TENETON te dragen :) (10e eeuw). De profylactische magie van het vierkant was over heel Europa een vaste waarde geworden en zelfs in de 19e eeuw werd het in Zuid-Amerika nog gebruikt tegen honden- en slangenbeten. (Dit artikel biedt een heel grondige bespreking, véél meer dan ik hier heb gereproduceerd. Alleen voor die-hards :)

Na al die christelijke symboliek bleef ik een beetje beurs achter, maar werd gered door een alternatieveling met een totaal andere lezing van de palindroom. Daarvoor moeten we weer terug naar Pompeii, naar het huis waar die inscriptie gevonden is. Overal vind je vermeld dat dat het huis was van de bakker Publius Paquius Proculus. Fout! volgens mijn zegsman (een commentator bij dit artikel). Dat was helemaal geen bakker. Het was een handelaar in reistassen. En het satorvierkant moet je helemaal anders lezen. De winkelier was een grapjas, die zijn klanten prettig bezig wilde houden met een spelletje. Al heel snel zouden die ontdekken dat je moet beginnen lezen bij de vierde letter, want dan krijg je het volgende: ORARE POTE NETO PERA ROTAS SAT. En dat betekent natuurlijk: "Je kunt voldoende wielen bestellen bij een geweven tas".

(Ik heb toch eventjes het Latijn gecheckt, klopt wel, als je het 'slordige' NETO (uitgang moet -a zijn) goedkeurt, je kan tenslotte niet verwachten dat een tassenverkoper perfect kan spellen, waarschijnlijk was hij een inwijkeling:)

Wat een ontdekking! Het idee om je reisbagage op wieltjes achter je aan te trekken was waarschijnlijk al bedacht in de 1e eeuw in Pompeii :D :D

--------------------------------------------------------------
* Van Dale:

zondag 26 juni 2016

Met hem begint de Westerse beschaving




Van luchthavens zeggen ze dat die overal ter wereld eender zijn. Wat je hier ziet valt in dezelfde categorie: letterlijk overal ter wereld tref je een dergelijk zootje gipsafgietsels aan in magazijnen van academies. Deze foto is gemaakt in een sympathieke kleinschalige kunstschool, gelegen in het groen rond (maar buiten!) de startbaan van een al even kleinschalige luchthaven.

Als ik er binnenkom gaat er onmiddelijk een heel orkest belletjes rinkelen. Ik sta hier met mijn rug naar de torso's van Antinous en een hellenistische Venus gekeerd en ga het rijtje af: linksboven een saterkop, dan een Jezus, denk ik, verderop een Iulius Caesar op voetstuk, dan linksonder: dat moet Demosthenes zijn en daarnaast een farao (ik weet dat, want ik heb hem al van voren gezien) en dan iemand die nergens ontbreekt: Homeros. Rechts achter de flesjes ook nog een Sokrates.

Een paar weken geleden heb ik een besluit genomen: éénmaal in mijn leven wilde ik die kop van Homeros tekenen, en dat éénmaal was aangebroken. Ik nam hem dus in mijn armen, droeg hem naar de klas en zette hem daar op tafel. Een magisch moment... Tot een medestudent erbij kwam staan en vroeg: "Wie stelt dat voor?"

Houd nu uw gezicht even in de plooi, want alles wat toen in mij opkwam was: "Dat is Homeros. Met hem begint de Westerse beschaving." Hij had nog nooit van hem gehoord. Maar toen ik de volgende week weer binnenkwam zat hij daar, mét Homeros voor zich. Hij wilde hem ook wel eens tekenen :-)

Ik weet niet wat u zich voorstelt van het tekenen van zo'n buste (als u dat zelf nog nooit gedaan hebt), het verschilt wel van het tekenen naar een foto, en ook dat vergt enig doorzettingsvermogen. Maar één ding is zeker: als u het dan toch wilt proberen, kies geen Homeros. Kies een sympathieke kaalkop ;-)


Hierboven een stadium in  het scheppingsproces van medestudent Robert. Rechts mijn product. Ik vond dat het tijd werd dat de blinde bard eindelijk eens kon zien.




--------------------------------------
Update (1/10)
Zelfportret van barokschilder Michiel Sweerts als verkoper van gipsafgietsels - met Homerus aan zijn borst :-)


zondag 15 mei 2016

Van clue tot κλωθώ, met een bolletje wol.


Het Griekse woord hierboven spreek je uit als 'kloothoo' en betekent o.a. 'spinster'. Ik had haar nog maar pas achtergelaten in een vorig bericht maar hier is ze weer, zij het in een andere context en misschien onterecht.

De etymologie ('waar komen onze woorden vandaan?') is een onderdeel van de taalkunde dat vaak voor controverse zorgt, niet alleen in wetenschappelijke middens, maar ook bij 'leken', waar ongeloof een vaak voorkomende reactie is bij een etymologische verklaring. Ongeloof is hier gewoon het product van een gebrek aan kennis van en historisch inzicht in taal: je moet kunnen aanvaarden dat de taal die jij spreekt de buitenste jaarring is op een taalstam van duizenden jaren oud. En dat sommige taalspeurneuzen met oneindig geduld en doorzettingsvermogen teruggaan, terug door al die ringen heen, om onze huidige woorden in hun vele opeenvolgende gedaantes tot in een diep verleden in kaart te brengen.

Mijn leraar Latijn vond het leuk om ons te laten raden naar de oorsprong van Nederlandse woorden. 'Waar komt 'vulpen' vandaan?' Scholieren schreven daar toen nog mee. Antwoord: vulpes (Lat. voor 'vos'). En dan zat hij te grinniken bij onze verbijsterde gezichten terwijl ons ongeloof langzaam ook zichtbaar, en legitiem, werd. Geen betere manier dan voor de gek gehouden te worden om aangeleerd te krijgen wat 'volksetymologie' is. Dat is de term die gebruikt wordt, in deze politiek-correcte tijden nog altijd niet weggecensureerd, voor een oppervlakkige en foutieve manier van woordinterpretatie. Het was onmiddellijk duidelijk: niet alleen uiterlijk, maar ook inhoudelijk moet er een verband bestaan wil je over etymologie kunnen spreken. (Het uiterlijk hangt vast aan medeklinkers, klinkers zijn minder zeker. Zoals in 'vriezen' en 'vorst'.)

Ik heb goede herinneringen aan dat vak aan de univ, Indogermaanse Taalkunde heette dat nog - hoewel wat minder aan het examen bij Couvreur, met zijn beruchte woordfiches, waarbij je de hele historische ontwikkeling van drie op goed geluk getrokken woorden moest beschrijven ;-) Wie zich wil verdiepen in wat nu Proto-Indo-Europees (PIE) heet vindt op internet heel wat. Ik blijf het interessant vinden.

Geheel onverwacht stootte ik op de geschiedenis van een woord - die zich meer op de inhoudelijke verwantschap toespitst - in "The Suspicions of Mr. Whicher"*. Dit is een Engels detectiveverhaal dat zich afspeelt in 1860. Onderwerp is het onderzoek naar de waar gebeurde moord op een jongetje van drie. Het bijzondere eraan is, dat de schrijfster uitsluitend gebruik gemaakt heeft van bestaande archieven van de politie, het gerecht en de kranten plus andere publicaties van die tijd (waaronder enkele van Charles Dickens, met name). Zij heeft die enorme massa materiaal kunnen omvormen tot een boeiend geschreven whodunit, in de oude stijl, ondertussen de lezer een beeld gevend van de cultuur en mentaliteit van de 19e-eeuwse Engelsman. Hierbij bleek een uiteenzetting over het woord 'clue' op pagina 68** perfect op zijn plaats.

"Het woord 'clue' komt van 'clew', en dat is een bol garen. Dit kreeg de betekenis van 'dat wat de weg wijst' door de Griekse mythe waarin Theseus een bol garen gebruikt, gekregen van Ariadne, om zijn weg te vinden uit het labyrinth van de Minotaurus. De midden-19e-eeuwse schrijvers gebruikten het woord nog met dit beeld in hun achterhoofd. 'Het is altijd een plezier om een mysterie uit te pluizen, door de ragfijne clue te vinden en vast te houden die naar zekerheid leidt', merkte Elizabeth Gaskell op in 1848. 'Ik dacht dat ik het einde van een goede clew zag, zei de verteller in Andrew Forresters The Female Detective (1864). William Wills, Dickens' secretaris, bracht in 1850 hulde aan Whichers (de politieman die het onderzoek later leidde, MH) vernuft door te vermelden dat de detective de weg vond zelfs als 'iedere clue afgesneden lijkt'. 'Ik dacht dat ik de clue vasthad,' zei de verteller in The Woman in White in een aflevering van juni 1860. 'Ik had dan nog geen enkel vermoeden van de kronkelgangen van het labyrinth die me de verkeerde weg op zouden sturen!' Een 'plot' was een kluwen en een verhaal eindigde met een 'denouement', een ontknoping." (Mijn vertaling)

Bij de vertaling viel het me op dat het Nederlands dezelfde woorden gebruikt in overdrachtelijke betekenis: 'afsnijden', 'uitpluizen', 'vasthebben' van een draad. Ook in Nederlandse taalcommentaren heb ik bij het woord 'leidraad' een verwijzing gevonden naar het verhaal van Theseus en Ariadne. Maar toch steekt het ongeloof hierover bij mij de kop op, ook al was juist die vermelding aanleiding tot het schrijven van deze blogpost :-) Is het echt mogelijk dat een Griekse mythe, die een paar eeuwen geleden slechts gekend was door een culturele elite, aanleiding gegeven heeft tot taalgebruik van 'de man in de straat', wanneer hij bijv. verklaart: "...maar nu ben ik even mijn draad kwijt"? Mijn eigen opmerking over 'ongeloof' indachtig zal ik het houden op onvoldoende kennis van mijn kant over deze specifieke taalontwikkeling.

En κλωθώ? De medeklinkers in (het 'uiterlijk' van het woord) clue, een gutturaal en een 'l', gepaard aan het inhoudelijke aspect, een 'kluwen', deden mij dit Griekse woord, dat o.a. 'een draad spinnen' betekent, er spontaan mee associëren. De beginletters zijn een k en een l. Dus dit even opgezocht op internet, er bestaat een site, de Etymologiebank, die er betrouwbaar uitziet. Wat nu volgt is een typische etymologie-opsomming. Gevoelige zielen raad ik aan, zoals ze dat ook op televisie doen vóór ze iets heftigs laten zien, om zich af te wenden of de ogen dicht te doen (de volgende alinea zal weer normaal zijn):

kluwen zn. ‘tot een bol opgewonden draad’
Mnl. cluwen ‘kluwen’ [1240; Bern.].
Os. kleuwīn (mnd. kluwen); oe. cleowen (ne. clew), nfri. kleaune; < pgm. *kliwina-, verkleinwoord van *kliwja-, -jō-, waaruit: ohd. kliu(wi), kliwi (mhd. kliuwe), kli(u)wa, kliuwelīn (mhd. kliuwel(īn) en door dissimilatie kniuwel, kniulin, nhd. Knäuel); on. klé. Al deze woorden betekenen ‘samengebalde massa’, later (mnl., mnd., mhd., me.) ook ‘kluwen’.
Wrsch. verwant met: Grieks gíg-glu-mos ‘gewricht’; Sanskrit glāu- ‘bal, kogel’; Oudiers glō-snáthe ‘lijn’, letterlijk ‘kluwendraad’, Middeliers glao, glau ‘bal’; bij de wortel pie. *gleu- ‘bolvormig voorwerp’ (IEW 361). Hierbij ablautend misschien *glēu-/glou-, zie → klauw, en met -t-achtervoegsel misschien ook Grieks gloutós ‘bil’.

Een lekkernij voor de liefhebbers natuurlijk. Maar wat ontbreekt er? Kloothoo. Eigenlijk logisch. Het werkwoord 'spinnen' noch het zelfst. nw. 'spinster' zit inhoudelijk dicht genoeg bij 'bol garen'. Maar de stam met -kl- wel, vond ik. Dus ben ik nog wat verder gaan kijken en, triomf, vond wat volgens mij in bovenstaande etymologische draad wél thuishoort: κλῶσμα (kloosma). Beter leesbaar als je erop klikt:



--------------------------------------------------------
* The Suspicions of Mr. Whicher or The murder at Road Hill house", door Kate Summerscale, Bloomsbury paperback 2009.
** Beste lezer, vergeef me dat ik slechts verwijs naar bovenstaande uitgave, en niet de hele Engelse tekst overtik. Mijn scanner heeft nog geen OCR-functie.

zondag 3 april 2016

Orthesen en prothesen


De sharia, de juridische regelgeving van de godsdienst van de vrede, voorziet een oog-om-oog-straf voor de verminking van een medemens. Iran en omgeving is hiermee geregeld in het nieuws. Wat zou er nog overblijven van Salah Abdeslam als hij onderworpen zou worden aan deze niet-westerse vergelding? Natuurlijk, als hij zijn bommetje had laten ontploffen was het wat anders geweest, maar nu zit hij op rozen. Westerse softies hebben (is dat even een meevaller) nog niet het mohammedaanse licht gezien.

Beste lezer, zoals u merkt is de toon deze keer minder mild, dus prima als u wegklikt, maar ik wil hier nog even verder gaan. Naast de geestelijke en lichamelijke pijn die sommige mensen van de ene seconde op de andere is aangedaan, door een terroristische aanslag op hun leven, moeten zij ook nog eens, waarschijnlijk de rest van dat leven lang, zich beginnen bezig te houden met de technische organisatie van hun mobiliteit. De media hebben zich (traditioneel) onthouden van grafische beschrijvingen van het resultaat van de ontploffingen, vandaar dus de voorspelbare voorpagina van Charlie Hebdo.

Want zo was het natuurlijk.

Kaarsjes op het Beursplein in Brussel helpen alleen maar de mensen die ze aansteken, ze brengen geen enkele hand of been terug. Daarvoor zal een lange en moeizame orthopedische behandeling hulp moeten bieden. De getroffen mensen zullen het zelf moeten klaren - ik wens hen al de sterkte die ze kunnen krijgen. Ik zal dit als mijn kaarsje beschouwen, aandacht voor wat er gebeurd is, niet meer en ook niet minder dan dat.

----------------

Pieter Bruegel de Oude had in de redactie van Charlie Hebdo kunnen zetelen. De spiegel die hij zijn tijdgenoten voorhield was al even rauw en schokkend. Zij waren gewoon aan mooie gave madonna's en anatomisch perfecte mythologische goden en helden. Bij Bruegel zie je lompe personages, scharminkels en afstotelijke figuren, in een realistische omgeving, en niet in een fantasiewereld zoals bij Jeroen Bosch. De afbeelding hiernaast is (vind ik) uiterst onaangenaam om naar te kijken.

Maar het vraagt niet veel historisch inzicht om te beseffen dat wat we ons nu met veel tegenzin voor ogen halen, een verminkte medemens, in al de eeuwen die achter ons liggen een bijna vertrouwd beeld was in het verwachtingspatroon van onze voorouders. Ziektes, oorlogen en wat we tegenwoordig 'etnische zuiveringen' noemen maakten dat mensen, die ooit 'heel' waren, onherroepelijk ingelijfd werden in het legioen van de 'gebrekkigen'. Eigenlijk nog niet zo lang geleden is er pas een zwakke lichtschijn gekomen in de wereld van de verminking en dat dankzij de technische oplossingen van deze tijd.

Het is verbazend hoe weinig we uit de oudheid te weten komen over hulpmiddelen die bijvoorbeeld een kreupele gebruikt om zijn gebrek te compenseren. De algemene verklaring is, dat alleen 'hele' mensen voor vol werden aangezien, en dat een handicap tegelijk ook de 'waarde' van de mens omlaaghaalde. Zoiets is beschamend, dat laat je niet zien. Van de Spartanen is bekend dat ze 'mismaakt' geboren kinderen in een kloof in het Taügetosgebergte wierpen. De Grieken hadden wel bewonderende aandacht voor het jonge gezonde lichaam, getuige de beeldhouwwerken en vaasschilderingen, maar afbeeldingen van gebrekkigen vind je niet terug, zelfs niet in de hellenistische periode, waarin men wel al eens een beeld durfde neerzetten van een dronken oude vrouw.

Ook bekende Romeinse artsen als Celsus en Galenus hebben heel wat geschreven over amputaties, maar over hulpstukken ter revalidatie vind je er niets. Zouden die dan niet bestaan hebben? Je vindt teksten waarin iemand die lam was werd gedragen (als je rijk was) en bijv. in het Evangelie is er het verhaal over de lamme die door familieleden op zijn baar door het dak naar beneden gelaten werd, in Kafarnaüm, waar Jezus het volk ontving. Waarna deze de beroemde woorden sprak: "Neem uw bed op en wandel". En het wonder geschiedde. (Hier, op p.15 e.v. vindt u meer.)

Natuurlijk heeft men altijd hulpstukken gebruikt om een gebrek te compenseren, zodra het mogelijk was. Alleen was het geen onderwerp waarover men schreef, zoals er nog aspecten van de oudheid onbekend blijven, om dezelfde reden. Op de tekening hiernaast (komediepersonages, Tarente, 4e eeuw v.C.) zien we een oude man en zijn slaaf, blijkbaar gezond van lijf en leden, maar beiden met een stok. Zo weten we dat ze op reis zijn en zich wapenen tegen de oneffenheden van de weg. Een wandelstok, een soort kruk voor gezonde mensen, is een voorbeeld van een orthese. Deze afbeelding is voor mij voldoende als bewijs dat toen ook voor - beschamende - gebreken dergelijke hulpmiddelen gebruikt zijn.

Je hoeft de Ilias maar door te lezen om te beseffen dat de oude Grieken (Homeros, 8e eeuw v.C.) een behoorlijke portie kennis van de anatomie hadden, misschien voornamelijk door observatie in oorlogssituaties:

                                                   Maar Tudeus' zoon nam een groot stuk
rotssteen ter hand dat geen twee der huidige mensen in staat zijn
samen te tillen. Hij echter zwaaide het weg of het niets was.
Daarmee trof hij de heup van Aeneas, daar waar het dijbeen
draait in de kom van de heup, de heuppan zoals hij genoemd wordt.
Deze, de heuppan, brak, en de beide dijspieren knapten;
't kantig stuk rotssteen scheurde een stuk van de huid af.
                                              (Ilias V,302-308, vert. De Roy van Zuydewijn)

Ik kreeg bij het lezen even een flits van een spijkerbom die zijn verwoestend werk deed. Aeneas' wonden worden geheeld door enkele godinnen, naar wie zijn moeder Afrodite hem evacueert. Of dat met een prothese gebeurde staat er niet bij, wel dat hij zijn schoonheid weer terugkreeg. Griekser kan zo'n opmerking niet zijn.

Over prothesen, lichaamsdeelvervangende hulpmiddelen, is misschien weinig te vinden in de Griekse literatuur, maar er zijn tenminste twee, bekende, verhalen die er expliciet over handelen.

Het eerste is de mythe van Tantalos en Pelops. Tantalos zet de goden een maal voor waarbij het hoofdingrediënt zijn zoon Pelops is. Om te testen of zij echt alwetend zijn. Niemand raakte het aan, behalve de godin Demeter, in haar verstrooidheid door het verdriet om het verlies van haar dochter. Zij peuzelde een schouder op. Gelukkig zorgde de oppergod dat Pelops weer tot leven gewekt werd met de verzamelde stukken van het gerecht. Alleen aan de schouder moest gewerkt worden: Demeter bezorgde hem een stuk ivoor, waaruit een kunstschouder gemaakt werd.

Nu kun je zeggen: goden kunnen alles, maar dat wil nog niet zeggen dat de Grieken geloofden dat mensen dat ook kunnen. Dan heb ik hier een verhaal uit Herodotos (Hist. 9,37), dat misschien echt gebeurd is, want gesitueerd ergens rond 485 v.C.: een zekere Hegesistratus wordt door de Spartanen gevangen gezet met zijn been in een met ijzer beslagen houten blok, met de belofte dat ze hem eerst nog eens stevig zullen folteren voordat hij geëxecuteerd wordt. Hegesistratus is ongetwijfeld een verre voorvader van Rambo, of zo, want hij gebruikt een binnengesmokkeld ijzeren instrument om genoeg van zijn voet te amputeren om hem uit het blok te kunnen trekken. Daarna hakt hij een gat in de muur van zijn cel (want voor de deur staat een schildwacht) en ontsnapt. Drie nachten lang kan hij op anderhalve voet uit de handen van zijn achtervolgers blijven totdat hij asiel krijgt in Tegea, waar zijn voet kan helen. En dan maakt hij zich een houten voet (ὑγιὴς δὲ γενόμενος καὶ προσποιησάμενος ξύλινον πόδα) en neemt deel aan de Perzische invasie, tegen de Spartanen, op die houten voet.

Een mooi bravourestukje, maar voor Hegesistratus loopt het toch niet goed af. Ze krijgen hem even later te pakken.

Naast verhalen zijn er ook concrete bewijzen gevonden dat er prothesen gemaakt werden.
Ongetwijfeld zal hout het meest voorkomende materiaal geweest zijn, maar dat is al lang vergaan. In Capua echter is in een graf van de 3e eeuw v.C. een skelet gevonden met een uitstekend gevormd kunstbeen uit brons, ijzer en waarschijnlijk ook hout. En Plinius verhaalt dat een veteraan uit de 2e Punische oorlog zich een hand uit ijzer had laten vervaardigen als vervanging van de hand die hij in de strijd verloren had. En van keizer Justinianus II is bekend dat hij een gouden neusprothese droeg nadat zijn vijanden hem de neus hadden afgesneden. Maar nu zitten we al in de 7e eeuw van onze jaartelling.

Zoals steeds: wie rijk was kon zich dit permitteren, wie arm was moest zich behelpen, zoals Bruegels bedelaars. In onze tijd lijken de goden soms even van de Olympus te zijn neergedaald en kunnen zij ons onze schoonheid teruggeven, toch min of meer. Ik wens dat aan alle slachtoffers toe.

woensdag 24 februari 2016

Paus Franciscus, Aristoteles, Donald Trump en het mediacircus


In de jaren '70 van vorige eeuw was er een prachtige Franse historische serie op televisie, Les rois maudits, waarin de vervloeking van een Tempelier Filips de Schone en zijn nakomelingen noodlottig werd. Dat was in de 14e eeuw. We kwamen te weten dat Filips kwalijke manipulatieve manieren had bij het beïnvloeden van de pauskeuze. Hij slaagde erin paus Clemens V naar Avignon te doen verhuizen en voor zijn kar te spannen, met name en onder andere om voornoemde Tempelier te excommuniceren. De vervloeking gebeurde op de brandstapel.

Avignon werd het centrum van weelde, lust en corruptie dat de katholieke kerk sindsdien haar kwade daglicht bezorgd heeft. Petrarca schreef hierover: "Ik leef in het Babylon van het Westen", en over de kardinalen : "rijk, onbeschaamd en roofzuchtig". Hij verhuisde snel naar Vaucluse, 'waar de lucht nog zuiver was'. De lagere bisschoppen en clerus daarentegen waren vaak onbehouwen individuen en kenden geen Latijn. (!-)

Welke criteria zijn tegenwoordig van belang voor een pauskiescollege, behalve dat de kandidaten door een vorige paus tot bisschop en kardinaal benoemd zijn? Moet je daar eerst hogere bisschopsstudies voor doen? Of is alles samengebald in die ene priesteropleiding, waarin je Latijn, filosofie en theologie (door een bisschop gedefinieerd met de paradoxale omschrijving 'wetenschap over God') leert, waarna een gelukkig toeval (= de regerende paus) je het kardinaalschap in de schoot werpt? En wat speelt er nog een rol bij het kiezen van een paus? Smeergeld en inmenging van rivaliserende staatshoofden? Foei, dat zijn 14e-eeuwse praktijken, nu bestaat dat immers niet meer.

Ratzinger, de vorige paus, was een uitgesproken intellectueel en had genoeg extra pijlen op zijn boog om boven het maaiveld uit te steken: doctor en hoogleraar in de theologie. Bergoglio, de huidige paus, was provinciaal van de Argentijnse jezuïeten. Ook niet min. De jezuïeten zijn bij uitstek de prestigieuze kloosterorde van de katholieke kerk.

Door te kiezen voor de naam Franciscus, echter, heeft Bergoglio een megabom gegooid in de kikkerpoel waarin de media elkaar verdringen. Zonder veel verdere uitleg van zijn kant heeft die naam hem onmiddellijk een wereldwijde, virtuele, reputatie bezorgd, avant la lettre. Niet van een prestigieuze intellectueel of geloofsleerkenner of Vaticaantycoon, maar van een bezorgde behoeder van de eenvoudige mensen, armen, vervolgden en onderdrukten, zoals de heilige Franciscus, de dierenvriend. En, om het eens op zijn Engels te zeggen: Francis went viral. Geniaal, zoals deze paus van de eerste minuut de media heeft bespeeld en gebruikt - om ieder reclamebureau groen van jaloezie te doen uitslaan. En elke stap die hij zet of uitspraak die hij doet zal deze beate lichtschijn over zich heen krijgen, al zijn er links en rechts wel een paar dissonanten te vinden over het imago dat hij cultiveert.

De paus heeft de gewoonte om, na een mondiale uitstap, een keur van journalisten in zijn privéjet te woord te staan. Op zijn terugreis van Mexico was het niet anders. En dat gebeurde in het Spaans, het Italiaans, het Engels, want de paus kent zijn talen. Een jezuïet van zijn leeftijd spreekt ook Latijn, maar dit terzijde voor de couleur locale van dit blog, want meer dan een paar achteloos geciteerde Latijnse spreuken kun je een journalist niet aandoen.

Daarom verrassend dat hij daar toch de naam van topfilosoof Aristoteles liet vallen, zo weinig passend bij de simpele communicatie die je van een Franciscus zou verwachten. Hij had het over Aristoteles' definitie van een mens (De mens is een 'πολιτικόν ζώον' [politikon zooön], op Wikipedia correct vertaald als 'sociaal wezen'.). Hij gebruikte de gangbare Latijnse term 'animal politicus', daarmee bij mij onmiddellijk zijn imago van paus van het volk herstellend. De paus spreekt dezelfde taal als de journalisten, oef. Animal is onzijdig, dus het moet eigenlijk politicum zijn, maar dan hoor je er niet bij, als je zo taalcorrect bent. Liever een onschuldig foutje maken. Maar laten we hem toch het voordeel van de twijfel geven, de fout kan nog liggen bij de full English transcription van de journalist van het Catholic News Agency.

Toch vraag ik me af wat Aristoteles, grondlegger van de Logica, gedacht zou hebben van de context waarin zijn uitspraak gebruikt werd. Of nee, dat weet ik eigenlijk wel zeker.

GOP-presidentskandidaat en paljas Donald Trump en reeds verkozen paus Franciscus waren zo vriendelijk vorige week om de hongerige mediamonden te vullen met een paar strategisch geplaatste steken boven de gordel. Ere wien ere toekomt: de paus was begonnen. Door demonstratief te gaan bidden voor de Mexicaanse migranten aan de Mexicaanse grens. Dat die mensen in hun benarde levensomstandigheden verandering willen brengen door die grens met de Verenigde Staten over te steken is een doorn in het oog van Trump, die een muur wil bouwen tussen beide landen om ze tegen te houden. En, aldus Trump, de paus laat zich in een politiek spelletje gebruiken door Mexico. En Franciscus dan weer: "Godzijdank dat hij mij een politicus noemt, want Aristoteles heeft de mens een 'animal politicus' genoemd. Ik ben tenminste een mens." Het venijn zit natuurlijk in het 'tenminste'-staartje, maar vóór dat staartje?

Want Aristoteles? U kent ongetwijfeld die retorische wendingen waarmee gehaaide sprekers hun toehoorders een rad voor ogen draaien. Drogredenen noemt men ze, of sofismen. Een van de bekendere is het argumentum ad verecundiam (of: het beroep op een autoriteit). In een simpele formulering bijv. 'Het is zo, omdat ik dat zeg'. Meer indruk maakt het natuurlijk als je zegt: 'Het is zo, omdat Aristoteles dat zegt'. Franciscus geeft er een extra ingewikkeld draaitje aan door het in de sfeer van het syllogisme te trekken.
- Aristoteles noemt een mens een animal politicus
- Trump noemt mij een politicus
- Ik ben (dus) een mens

Het is wat badinerend gezegd natuurlijk, als woordspelletje, niet echt diepzinnig bedoeld. Waar Franciscus als geloofsdeskundige wel voluit gaat, is de overdenking die hij er hierna aan breit: "Iemand die alleen maar denkt aan het bouwen van muren en niet aan het bouwen van bruggen is geen christen. Dat staat niet in het Evangelie." Weeral een ad verecundiam. Kijk, ik denk alleen maar aan het renoveren van mijn badkamer en niet aan die van de buren. Quid Evangelie? Staat dat er ook niet in?

Alle gekheid op een stokje: uit de cursus Logica die ik illo tempore gevolgd heb meen ik mij te herinneren dat je geen conclusies kunt trekken uit een negatieve maior (graag een seintje als ik fout ben): 'iets wat niet christelijk is staat niet in het Evangelie'. Maar laten we niet moeilijk doen. De paus spreekt niet de taal van de logische rede, niet de zuivere, niet de praktische, niet die van het oordeelsvermogen. Hij spreekt de taal van het mediacircus.

WAT NIET IN HET EVANGELIE STAAT IS NIET CHRISTELIJK.

De christenen gaan bittere en barse tijden tegemoet.
(En zoek welke foute formulering ik misschien heb gebruikt :-)

zondag 14 februari 2016

Waarom IDYLLEN?


Het Nederlands bestaat blijkbaar nog altijd en het zindert van leven. Het kan overweldigen en vertederen. Verbeelden en tergen. Het is zijn eigen – uitdagende – baas (‘en zoek jij het verder zelf maar uit’) in de nieuwe gedichtenbundel van Ilja Leonard Pfeijffer, Idyllen.*

Ik heb hem gekocht. En er nog geen moment spijt van gehad. Een verzameling gedichten waarin je moeite moet doen om je weg te vinden. Op internet zijn legio recensies te googlen. Maar zelfs deze slagen er niet in om voor spelbederver te spelen door te verklappen wat je eigenlijk zelf liever het eerst ontdekt.

Waar ze wel in geslaagd zijn is zichzelf collectief het etiket van oppervlakkigheid op te plakken. Langs alle kanten zeuren ze ‘deze Idyllen zijn écht niet idyllisch te noemen’. Als aanloopje naar een opsomming waaruit moet blijken dat die écht niet idyllisch zijn. Een soort negatieve definitie van idylle dus. Ik ben, vóór ik deze regels opschreef, nog eens extra gaan kijken. Nergens vind ik er het enige logische – zou je denken – vervolg op hun verzuchting. Namelijk: ‘Waarom heeft Pfeijffer die nieuwe gedichten van hem dan eigenlijk Idyllen genoemd?’

Er is een interview met Pfeijffer op het net, hier, waar die vraag ook niet gesteld wordt. En Pfeijffer zelf rept er niet over, misschien om de interviewer geen appelflauwte te bezorgen, want na de vermelding van de 'technische' termen alexandrijnen en jambische hexameter geraakte deze meneer in een kramp waarin hij Pfeijffers poëziedemonen pseudohumoristisch trachtte weg te jagen. De dichter: we zien een stevige veertiger met een verward Michiel de Ruyterkapsel, kettingrokend, in een gezellige ruimte vol boeken, de jeneverfles op tafel met enkele blikjes bier ernaast die hij tijdens het gekeuvel soldaat maakt. Daar zit het personage van zijn gedichten, compromisloos en eerlijk. Met een taxerende blik na iedere vraag. En nee, niet idyllisch.

Voor zover u nog niet verdwenen bent, lezer: ga alvast in de buurt van de nooduitgang zitten. Ik besef dat ik hier atypisch bezig ben. Dat is het effect van de Idyllen, er is geen houvast meer in de wereld;-)

Goed, hierboven heb ik al mijn verblufte verrassing te kennen gegeven over het, in het nu godbetert, opduiken van een soort poëzie dat mij in de jaren zestig van mijn sokken blies. Voor de kenners: de Ooievaarpockets van Paul Rodenko heb ik jarenlang gekoesterd als een dominee zijn bijbel. Daarin ontdekte ik Lucebert, waar ik geen knijt van begreep, maar waarvan de woordenkracht alleen al ieder verzet tegen de onverstaanbaarheid smoorde. En als de achterflap van Idyllen beweert "Pfeijffer dicht als niemand tevoren", dan zeg ik: "Pfeijffer dicht als Lucebert tevoren". Ook. En als de commentatoren zeggen "Pfeijffer dicht als Martinus Nijhoff tevoren", dan zeg ik: ook. En er zijn nog meer Tevorens in de bundel gesignaleerd door de recensenten: Anna Bijns, Marten Toonder, Jacob van Maerlant, Achterberg, Van Ostaijen, Rilke... Zelf vond ik een spoor van Alain Teister :)

Eén Tevoren, echter, is oorverdovend afwezig in het recensiekoor en, als je Pfeijffer kent, toch zozeer aanwezig, dat je er bijna over struikelt. Het antwoord op de vraag: 'Waarom Idyllen?'

Omdat Theokritos van Syracuse zijn gedichten εἰδύλλια (idyllen) noemde. Die waren ongeveer even lang of kort als die van Pfeijffer. Omdat Theokritos in de 3e eeuw v.C. leefde en in het Dorisch-Grieks schreef. Omdat Pfeijffer een classicus en kenner van het Dorisch is, want Pindarosspecialist. En omdat er een rechtstreekse lijn te trekken is van Pindaros over Hölderlin en Lucebert naar Pfeijffer, zoals ik in een vorig bericht van Pfeijffer zelf te weten kwam. Omdat de verzameling Idyllen van Pfeijffer geheel in de geest van Theokritos' verzameling gevarieerd over van alles gaat, 'de hoge zowel als de lage taalregisters bespelend' (VSB-juryverslag). Omdat Pfeijffer een strakke versmaat in acht neemt (rijmende alexandrijnen) zoals Theokritos met zijn dactylische hexameters, waardoor de poëtische intensiteit een grote hoogte kan bereiken. Omdat Pfeijffer kwistig met literaire allusies en eruditie rondstrooit, zoals Theokritos. Omdat zijn werk vol onstuitbaar leven en temperende ironie is, zoals dat van Theokritos.

Als de recensenten hun huiswerk hadden gedaan hadden zij geweten dat de 'idylle' zijn zeemzoete karakter pas in de Byzantijnse tijd verwierf. Dan hadden zij misschien, naast al die andere Tevorens, ook het spoor van Theokritos gevonden in de 13e Idylle:

"Ik hoor de spinster kirrend grijze wielen draaien.
De nacht is aangezegd. De warre uren waaien.
(-)
Scharnieren piepen en de luiken klapperen.
De iunx tracht met vleugeltjes te wapperen,
maar hij is op de holle uren vastgepind.
Alleen de spinster weet wanneer opnieuw begint
wat door haar bruine kunstgebit is afgekloven. 
Geloven is geen woord. Wat is, is ooit gewoven."

Theokritos Idylle II uitgave door Aldus Manutius Deze ronduit grimmige sfeer vind je in heel de bundel terug. Maar hier wordt die opgeroepen via het bedrijf van de Griekse schikgodinnen, die het leven spinnen en weven en ook het levensrad bedienen en doen stoppen. In de oud-Griekse traditie is de iunx de radvogel die, vastgebonden, mee moet draaien om een magische liefdeskracht op te wekken. (Wat, Pfeijffer, Eros en Thanatos?) Dat gebeurt uitgerekend in Theokritos' 2e idylle, waar een vrouw, Simaitha, wanhopig via deze magische riten de liefde van haar minnaar probeert terug te krijgen. Als in een litanie roept Simaitha telkens opnieuw de iunx smekend aan. Kijk, Pfeijffer zegt dit niet met zoveel woorden, maar voor mij lijkt dit, in een idylle opduikend, een duidelijke verwijzing naar Theokritos. (Het toeval wil dat die 2e idylle de enige was die ik met mijn klas las. In vertaling, want in het Dorisch, dat kun je niet maken :-)

Om toch niet te eindigen in een zwarte sfeer van dood en verderf wil ik de 11e Idylle aanbevelen met de heerlijke passage waar Pfeijffer liefdevol zijn begraven omaatje van 100 jaar uit haar doodskist helpt om haar naar de tram te brengen. Als twee samenzweerders zijn zij onderweg, diep in gesprek, de enigen die weten dat zij niet dood is.

En als classicus kan ik zijn 9e Idylle wel hebben, waarin hij de sfeer oproept van die jaren van een 'decadente studie in verval' waarover hij in de slotverzen het volgende kwijt wil:

"                   zoals we naar de toekomst zeilden
op brakke vlotten van een achterhaalde zee,
zo wijnkleurig ben ik en ga ik met ons mee
tot ver voorbij de wereld en haar efficiëntie.
We hebben veel geleerd. De les was decadentie."

Let's sail on. Wijnkleurig en wel ;-)

----------------------------
*Idyllen won de VSB Poëzieprijs 2016 - iets wat mij normaal wantrouwig stemt, want zo’n jury genereert natuurlijk een onderlinge grootste gemene deler die uiteindelijk niemand kan bevredigen. Vond ik. Blijkbaar had ik deze keer in de jury kunnen zitten.

zaterdag 6 februari 2016

Ik ben een Syriër


Hij schreef zijn satires in het Grieks, in de traditie van de satura Menippea. Maar alleen zijn epigrammen zijn bewaard gebleven: Meleager van Gadara, 1e eeuw v.C., Cynische filosoof en Syriër van geboorte, zoals hij zelfverzekerd verklaart op zijn facebookpagina, tegenwoordig te vinden in de Anthologia Palatina ;-)
Het presenteren van visitekaartjes in de vorm van een grafepigram was in die tijden een druk beoefend literair genre. Een functie die bij ons overgenomen is door de 'doodsprentjes'. Duizenden grafopschriften zijn er bewaard gebleven, op grafstenen of in overgeleverde geschriften.

Zij spreken een imaginaire bezoeker (xeine, vreemdeling) aan, geven levensbijzonderheden over de dode, en vragen hiervoor welwillende aandacht, met een vriendelijke groet.

Meleager doet dat, geheel in de geest van de Cynische wereldburger-doctrine, meertalig, waarbij de eerste groet toch bekend in de oren klinkt: "Als je een Syriër bent, dan zeg ik Salam! tegen je, ben je een Feniciër, dan Naidios! en tegen de Griek zeg ik Chaire!". (A.P. VII, 419)

Een ander grafepigram (A.P. VII, 417) was de aanleiding voor dit blogbericht:





"Waarom ben je verwonderd dat ik een Syriër ben? Wij wonen, vreemdeling, in één gemeenschappelijk thuisland. Eén en dezelfde heeft ons allen verwekt, als stervelingen: Chaos."

De kosmopolitische visie van de Cynicus Meleager manifesteert zich tegenwoordig wel op een bijzonder bittere en ambivalente manier.


zaterdag 12 december 2015

De Super Recognizer


Een titel boven een artikel verzinnen waarin met zo weinig mogelijk woorden zoveel mogelijk informatie wordt gegeven is een kunst. De New-York Times pakte op 10 oktober uit met een pracht van een kop: London Police ‘Super Recognizer’ Walks Beat With a Facebook of the Mind. Kent u het rijtje Latijnse woorden dat in het Nederlands 'de zeven w's' wordt genoemd? Ze werden door mijn leraar Nederlands opgesomd als hulp bij het maken van opstellen, als je echt niks bij de opgegeven titel kon verzinnen. 'Wie, wat, waar, met welke middelen, waarom, op welke wijze, wanneer' (Quis, quid, ubi, quibus auxiliis, cur, quomodo, quando). Ik vind er minstens vier in de krantenkop hierboven.

Het artikel zelf is al even professioneel geschreven, over een politieman die gezichten onthoudt en zelfs herkent als hij ze jaren geleden gezien heeft of er slechts een gedeelte van zichtbaar is. Het blijkt de bijzondere gave te zijn van een super recognizer. Een die ik niet bezit. Ik zit eerder in de categorie van 'ik-heb-dat-gezicht-ergens-gezien-maar-waar?' Dat besef drong voor het eerst tot mij door toen ik student was en vriendelijk op straat begroet werd door een mij vaag bekend voorkomende man. Dat bleek een paar uur later de slager te zijn waar ik iedere dag mijn broodbeleg kwam kopen, maar daar had hij wel een witte schort aan ;-)

Mijn categorie gezichtsherkenners is volgens sommige psychologen van het 'economische' type: het gezicht van mensen die je eigenlijk niet interesseren stop je niet in je langetermijngeheugen. Die inspanning doe je alleen als je het nuttig acht voor jezelf. Waarom krijg ik nu ineens het gevoel dat dit zeker niet in een cv past? Terwijl ongetwijfeld tachtig procent medemensen tot mijn soort behoren ;-)?

Er is een categorie mensen voor wie het van cruciaal belang is dat zij gezichten herkennen en dat ook duidelijk te kennen kunnen geven aan de eigenaar van dat gezicht. Enig idee?
Juist.

James Aloysius Farley had de gave waarschijnlijk niet, maar deed wel de inspanning om alle gezichten, waarvan hij het onthouden nuttig achtte, in zijn langetermijngeheugen op te slaan. Het bezittelijk voornaamwoord 'zijn' moet je hier ruim opvatten. Het betreft namelijk de farley file. Een databank, sinds Farley zo genoemd, waarin politici gegevens opslaan over mensen die ze al eens eerder ontmoet hebben. Farley was VS-president F.D.Roosevelt's campagneleider. Iedere ontmoeting van wie dan ook met Roosevelt werd door hem opgetekend, met bijkomende documentatie, zodat Roosevelt bij een volgende ontmoeting wist wie hij voor zich had, en sympathieke vragen kon stellen over bijv. diens hobbies of hond :-) De enorme populariteit van Roosevelt zou o.a. hieraan te danken geweest zijn. Het vereiste natuurlijk een perfecte samenwerking tussen president en campagneleider. Ik weet niet of dit iets zegt over het politieke bedrijf, maar bij de oude Romeinen werd deze klus door een slaaf geklaard, de nomenclator.

Als je de populatie van Romeinse nomenclators uit de tijd van bijv. Cicero samen neemt zullen er denk ik wel een aantal de gave bezeten hebben (zo'n 2% berekenen ze in Harvard). Maar het merendeel zal een 'farley' geweest zijn, uiterst gemotiveerd om zijn meester terwille te zijn en actief bezig met het uitbouwen van zijn langetermijngeheugen, hier uiteraard het echte geheugen bedoeld. Want leuke dingen zoals boekdrukkunst, foto's, printers, facebook belemmerden nog niet de efficiënte werking ervan ;-) (Plato vond opschrijven al een afbreuk aan de functionaliteit van het menselijk geheugen. Wat hem niet belette er ook zelf zijn handen aan vuil te maken.)

In de Romeinse Republiek, waar politieke kandidaten nog actief campagne moesten voeren voor het behalen van een ambt, was de nomenclator van cruciaal belang. Hij week niet van de zijde van zijn heer en fluisterde voortdurend de coördinaten van een naderende persoon in diens oor. Op een wervingsronde door de stad, op het forum, bij openbare gelegenheden. Ook al kende meneer de candidatus maar 10% van wie hij ontmoette, hij kon dank zij de slaaf efficiënt zijn rooseveltjes doen. En wie persoonlijk werd aangesproken door een belangrijk politicus was zeker geneigd zijn stem op hem uit te brengen. Men wist natuurlijk waar die slaaf naast die politicus mee bezig was, maar dat werd blijkbaar geaccepteerd. Tijdens de verkiezingsperiode liep iedereen immers rond met een nomenclator, dat hoorde erbij.*

Een paar termen dringen zich in onze politiek correcte maatschappij onmiddellijk op. Volksverlakkerij! Kiezersbedrog! Kiesvee! Manipulatie! Gebrek aan respect voor je kiezers! (Maar evengoed de geniepige subversieve gedachte: als je daarin trapt, oen, heb je het zelf gezocht met die politicus! Ofte: mundus vult decipi, decipiatur ergo.)

Het zal u misschien verbazen dat in het Rome van de eerste eeuw v.C. er ook zoiets als politieke correctheid bestond. Die van de Oude Romeinse Waarden van Onze Voorvaderen. Of de Stoïcijnse Beginselen. Maar als u denkt dat die met elkaar samenvallen heb ik een stukje uit Cicero's Pro Murena voor u (vertaling) waarin hij die kwestie meesterlijk uitspeelt tegenover zijn opponent, Cato Minor, op dat moment rechter in de rechtszaak tegen Cicero's cliënt.

Dus eerst even dit boegbeeld van politieke correctheid voorstellen. (Een hedendaagse formulering, die misschien afbreuk doet aan de algemeen erkende integriteit van Cato Minor [95-46 v.C.], die heel zijn leven een stoïcijnse soberheid en rechtvaardigheid nastreefde.) Plutarchus zet hem in de 8e paragraaf van zijn Cato Minor dik in de verf. Het gebruik van nomenclatores was op een gegeven moment bij wet verboden, maar niemand trok zich daar iets van aan, behalve Cato. Die deed zijn campagne (voor krijgstribuun) alleen, zonder hulp. De anderen vonden hem maar een vreemde snuiter.

Wat kun je inbrengen tegen iemand die zo integer de wet nakomt? Cicero trekt al zijn registers open: 'Beste Cato, jij blijkt nu zelf toch ook een nomenclator te gebruiken. Je gebruikt dus truukjes en bedrog. Misschien vinden je medeburgers het een eer dat jij hen bij naam aanspreekt, maar is het niet beschamend dat je slaaf hen beter kent dan jijzelf? (-) En dat je doet alsof je hen kent, terwijl je na de verkiezing die moeite nauwelijks nog neemt? Kijk, onze staat kent heel wat gebruiken, en het is oké als je je daarnaar gedraagt. Maar als je die wilt toetsen aan de leerstellingen van jouw filosofie dan blijken ze compleet verwerpelijk te zijn. Onze voorouders hebben het volk de genoegens bezorgd van spelen, gladiatorengevechten, banketten. Dat mag van hen niet afgenomen worden, evenmin als die minzame manier van aanspreken van de kandidaten tijdens een verkiezingscampagne. Want dat is open vriendelijkheid, en geen omkoperij.' (mijn parafrase)

De nomenclator is een oud-Romeinse instelling en Griekse - buitenlandse - filosofieën moeten hun handen daarvan afhouden ;-) Cicero op zijn best. Eerst Cato om de oren slaan met zijn eigen principes en dan het wij/zij-spelletje van 'eigen volk eerst'.

Cicero's vermelding van zijn eigen nomenclator (in een brief aan zijn vriend Atticus, 4,1,5) is eigenlijk wel het citeren waard. Na een tijdelijke ballingschap, op de vlucht voor zijn politieke tegenstanders, kon hij weer naar Rome terugkeren. Een massa volk stond hem juichend op te wachten aan de porta Capena, het Capitolium en het Forum. Cicero formuleert het zo: "Iedereen die mijn nomenclator kende was er".

In de keizertijd verliest de functie van nomenclator de politieke dimensie, maar dat was niet het einde ervan, bijna integendeel. De nomenclator groeit uit tot een vaste waarde in de (betere) Romeinse families. Hij stond zijn meester bij bij de ochtendsalutatio, waar de clientes hun opwachting maakten - ook die namen hoefde de meester niet allemaal te onthouden. Hij regelde de uitnodigingen voor de banketten en was daar voortdurend aanwezig om het de gasten naar de zin te maken, als die bijvoorbeeld alles wilden weten over de samenstelling van de opgediende spijzen. Hij moest die bezoekers in de gaten houden, en bij ongewenst gedrag kwamen die er niet meer in. Een handige nomenclator verwierf zich zo een machtspositie, want wie iets van zijn heer wilde moest eerst langs hem. En een privé-inkomen aan steekpenningen was handig meegenomen.

Het beroep (als je daar bij een slaaf over kunt spreken) verliest wel wat van zijn glans als je als nomenclator er maar één van velen bent, bijvoorbeeld in een huishouden dat je eerder een bedrijf (met mijnwerkers, landarbeiders...) moet noemen, waar de meester honderden slaven bezit, die hij uiteraard niet persoonlijk meer kent. Daar heeft hij gespecialiseerde nomenclatores voor, die op zijn minst de naam én de taal kennen van al die buitenlandse krijgsgevangenen die het voorrecht gekregen hadden om de Romeinse economie te dienen ;-)

Maar goed, de privénomenclator blijft toch tot de verbeelding spreken. Hij heeft een vertrouwelijke band met zijn meester, maar ook bij hem slaat de vergrijzing toe. Zijn geheugen is niet meer wat het was, maar hij probeert zich eruit te redden door staalhard een naam te verzinnen. Dat vinden we bij Seneca (Benef. 1,3,10), die zich ergens anders, in een betoog over literatuur, helemaal niet politiek correct vrolijk maakt over het gebruik van een bijzonder soort nomenclatores:

'Ik heb nog die steenrijke kerel meegemaakt, Calvisius Sabinus. Hij bezat het fortuin én de mentaliteit van een vrijgelaten slaaf. Ik heb nooit een lompere rijkzak gezien. Zijn geheugen was zó slecht dat hij zelfs niet op de namen van Odysseus, Achilles, Priamus kon komen en wie kent die nu niet? Geen enkele ouder wordende nomenclator, die de juiste namen niet kan geven en er daarom gewoon verzint, heb ik zo verkeerd Trojanen of Grieken weten benoemen dan die kerel. Maar toch wilde hij zich als onderlegd voordoen en dus bekokstoofde hij het volgende: voor veel geld kocht hij slaven, één die Homerus, een ander die Hesiodus van buiten kende; en hij had er negen voor de negen lyrici. (-) Nadat hij zich deze slaven had aangeschaft begon hij zijn gasten ermee lastig te vallen. Tijdens het banket zaten die slaven aan zijn voeten, om hem de verzen voor te zeggen waar hij naar wilde verwijzen, en dan nog bleef hij midden in een woord steken. Een gast, vleier en spotter tegelijk, suggereerde dat hij misschien ook een paar taalkundigen zou kunnen kopen. En toen Sabinus daarop zei dat één zo'n slaaf hem toch 100.000 sestertiën had gekost, zei de ander: "Voor veel minder had je evenveel boekenkasten kunnen kopen" ' (mijn parafrase).

Tegenwoordig hebben politici hun boekenkasten altijd bij zich, maar als zij die geraadpleegd hebben is het doelwit waarschijnlijk al verdwenen. Het illustreert de meerwaarde van de nomenclator. Of zouden zij ook echte nomenclatores gebruiken? Als dat zo is heb ik er toch nog geen opgemerkt. Misschien dat hun body-guard die functie overgenomen heeft.

Update: http://www.newyorker.com/magazine/2016/08/22/londons-super-recognizer-police-force (alleen als u héél veel tijd over hebt)

---------------------------------------------------------------
* Bij het plaatje met het begin van het lemma 'Nomenclator' in de 'Pauly' (hét autoritatieve boekwerk in ontelbare delen over de 'Altertumswissenschaft'): misschien toch even wat commentaar bij "Die n. erhielten daher den Spitznamen fartores, qui clam velut infercirent nomina salutatorum in aurem candidati (Festus)." De schrijver Festus vermeldt de bijnaam van de nomenclators, namelijk 'fartores'. Dat waren pluimveehouders die, zoals nu nog altijd gebeurt, hun beestjes volpropten met voeder om een vetter product te kweken. De bijnaam is weinig lovend voor de volgepropte ;-) en illustreert de nuchtere kijk van zijn kiezers.

zondag 22 november 2015

Struisvogel & cie.


De struisvogel, struthio camelus (van het Grieks στρουθίον en κάμηλος, ofte 'musje' en 'kameel') is de grootste vogel ter wereld. Hij kan niet vliegen, haalt lopend tot 70 km per uur, en heeft de beruchte reputatie dat hij zo dom is dat hij zijn kop in het zand steekt en denkt dat hij dan onzichtbaar is. En die reputatie heeft hij echt niet verdiend, want dat doet hij dus niet. Zijn kop in het zand steken. Maar van dat stigma, symbool te staan voor domme mensen die wegkijken en doen of er niets aan de hand is, komt het kameelmusje zeker nooit meer af.

Dat heeft hij aan Plinius te danken, waarschijnlijk. Diezelfde van vorig blogbericht. Hoofdstuk 10 van zijn Naturalis Historia is gewijd aan de vogels. En voorop staat daar de struisvogel, struthiocamelus, die hij behoorlijk accuraat beschrijft. Maar hier komt het: "...mira natura, sed non minus stoliditas in tanta reliqui corporis altitudine, cum colla frutice occultaverint, latere sese existimantium" (De struisvogel heeft opmerkelijke kenmerken, niet in het minst ook zijn domheid, en dat in een lichaam van zo'n omvang, want zij stoppen hun kop en hals in een struik en denken dat zij zich verborgen hebben). Een struik is geen zand, maar er kan veel gebeuren met een woord, als je Plinius uit je hoofd citeert. Volgens anderen komt de vergelijking door de gewoonte van de struis om o.a. zand en stenen te eten, waarbij hij minstens met zijn snavel in het zand zit.

Tot zover deze natuurlijke historie. Hierna gaan we figuurlijk. De struis in ieder van ons ;-)

Een mens is van nature gemakzuchtig - sommigen spreken misschien liever over economisch gebruik van de aangeboren middelen - en als we in het godsdienstonderwijs over vader Abraham leren gaan we niet nog eens de bijbel nakijken of die informatie wel klopt. Je moet een leraar kunnen vertrouwen, is dat niet het fundament van de samenleving? Dus eigenlijk per toeval vond ik nieuwe, mij onbekende, informatie over de aartsvader: hij heeft nog een lover boy-periode doorgemaakt. Met een leugentje om (zijn eigen) bestwil heeft hij zijn vrouw Sara geprostitueerd in het bed van de Egyptische farao en daardoor heel wat rijkdom vergaard (Genesis 12, 11-19). Kijk, zoiets hoor je niet op school of op de preekstoel. Men vertelt maar een deel van de 'waarheid'.

De bijbel, het Boek van de christenen, om de joden niet te vergeten, staat vol met dergelijke onchristelijke en weinig stichtelijke teksten. Wie bijvoorbeeld zegt dat Numeri 31 eigenlijk wel oké is mag over Islamitische Staat geen kwaad woord meer laten vallen. Trek je kop uit het zand en je komt nog eens wat te weten. De term 'gematigde islam' heeft vanuit deze hoek trouwens een even hoog struisvogelgehalte, als je dat andere Boek en bijbehorende geschriften ter hand neemt. De 'Drie Grote Godsdiensten' worden ze genoemd. Goed, nu het klimaat geschapen is kan ik aan dat andere onderwerp beginnen.

Een paar weken geleden kwam ik de stichter van het Christendom tegen (we zitten nog altijd in figuratieve modus), Paulus. Het was in een collegezaal, en een filosoof legde uit hoe belangrijk een citaat uit De Brief aan de Romeinen wel was in het werk van een andere filosoof. Tja, Paulus, dacht ik, die ken ik van mijn missaal. En toen gebeurde er iets wat de meesten van ons wel eens overkomt: je ziet een woord, of een zin, voor je en je zit ernaar te kijken alsof je dit vreemde woord voor de eerste keer ziet en de automatische piloot waarop je vertrouwt bij het lezen is even uitgeschakeld. Het was, om in Pauluscontext te blijven, een lichtflits bij heldere hemel. Wat zag ik daar (7, 14-24) ineens staan voor geflipte nonsens? Waar was ik dat nog tegengekomen, en dat niet in mijn missaal? Weer thuis gekomen heb ik mijn kop uit het zand getrokken en de Brief aan de Romeinen gelezen.

Heel in het kort even Paulus' coördinaten: hij leefde in dezelfde eeuw als Plinius, de 1e dus, was jood, bezat het Romeinse burgerschap en verspreidde het christendom onder de niet-joden. Ergens rond 57 schreef hij de brief aan de Romeinen, in het Grieks, en in het jaar 61 kwam hijzelf aan in Rome, als gevangene (de details vind je in de Handelingen van de Apostelen). Hij leefde van ca. 3 tot ca. 64. Hoewel hij Christus nooit gekend heeft beweerde hij dat hij door hem uitverkoren was als 13e apostel. Dat gebeurde toen hij op weg was naar Damascus en een lichtflits en een bulderende stem hem en zijn gezelschap van hun paard bliksemde. Het was Jezus die hem het goede nieuws meldde. Vanaf dat moment veranderde hij van christenhater in een fervente verkondiger van het geloof. Paulus had geregeld visioenen met engelen. Zoals die andere stichter, Mohammed. Ofwel waren ze zo psychotisch dat ze hun hallucinaties voor echt hielden. Ofwel zeiden ze alleen maar dat ze die hadden.

Een sceptische geest kan in de Brief aan de Romeinen, door Maarten Luther het allerzuiverste evangelie genoemd, beide kenmerken aantreffen. Ik noem het de allerzuiverste uiting van sekte-indoctrinatie. Een analyse van ‘sekte’ vind je hier. Heel wat punten eruit zijn in Romeinen aan te wijzen. Daarom herkende ik het waarschijnlijk toen tijdens dat college: ik heb zelf nog over een sekte gepubliceerd, maar dan wel een die door de gevestigde macht is uitgeroeid.

De BRIEF

1. We treffen een ‘piramidale’ constructie aan, met, onder een paar schimmige godfiguren, top dog Paulus, enkele naaste helpers en onderaan de sekteleden. Paulus heeft als enige toegang tot die godfiguren en mag mededelen aan het volk wat die van hen willen. En dat doet hij dan ook, behoorlijk drammerig, het hele epistel lang, te beginnen met 1.1-5. Voortdurend beroept hij zich op wat er ‘geschreven stond’, een autoriteit in het verleden dus die buiten de controle valt van iedereen. Als de leden gehoorzaam zijn is het goed (16.19)

2. Gedachtencontrole d.m.v. loaded words. Luther beschrijft dit perfect, al bedoelde hij het wel positief: “We moeten allereerst vertrouwd raken met het taalgebruik dat in deze brief wordt gebezigd en begrijpen wat Paulus bedoelt met de woorden: wet; zonde; genade; geloof; rechtvaardigheid; vlees; geest, enz., anders heeft het geen zin om dit boek te lezen.” Hier is alweer een Stichter aan het woord, in Paulus' voetsporen tredend.
En ook: de wij-tegen-de-anderen doctrine. Wij hebben de waarheid, de anderen zijn fout en slecht. (16.17).

3. Informatiecontrole: Paulus is de bron van informatie omdat hij in communicatie is met god (15.15,16). Hij kent dus geheimen (= goddelijke openbaringen), die hij hen verklapt (11.25). De juiste informatie komt van 'boven', luister niet naar anderen.

4. Gedragscontrole: aanbevelingen over ‘rein’ of ‘onrein’ eten in 14.13-23. Een tekst die door mohammedanen gekoesterd zou moeten worden ;-). ‘Keer je af van deze wereld’ (12.2). Een obsessie met seksueel gedrag en ‘begeerten’: wat een sektelid wél mag, en wat niet (1.23-27)(7.1-3).

5. En, last but not least, emotionele controle. Zonde, schuld, vrees voor bestraffing, gods toorn, noem maar op, de brief is ervan doordrenkt. En is het niet gemakkelijk dat Paulus weet hoe de leden daarmee moeten omgaan. Daarom is het echt noodzakelijk dat hij afreist naar Rome.

Je zou van minder je kop in het zand steken.

Tacitus sprak over een exitialis superstitio, een verderfelijk bijgeloof (Ann. 15.44), Plinius Minor (neef van) over een superstitionem pravam et immodicam, een kwalijk en mateloos bijgeloof (Ep. 10.96). Zij behoorden tot de generatie van na Paulus (toen de evangelies opgetekend werden) en getuigden van pogingen om de sekte de kop in te drukken. Wij weten hoe het afgelopen is.

zondag 11 oktober 2015

Europa en haar body guard


'Longe(que) terrarum pulcherrima - veruit het mooiste land ter wereld', zo noemt Plinius Maior Europa in zijn Naturalis Historia (III.1.5), waarna hij begint aan een gortdroge geografische opsomming. Hij poneert het als een vaststaand feit - op lyrische ontboezemingen zul je deze encyclopedist niet betrappen. De zelfverzekerde Romein leefde dan ook in de 1e eeuw en Rome was nog bezig met de uitbreiding van zijn rijk. De roemruchte uitbarsting van de Vesuvius die Pompeii en Herculaneum bedolf werd zijn dood, toen hij een reddingsoperatie organiseerde naar het getroffen gebied.

In het Romeinse Europa van zijn tijd heerste een relatieve stabiliteit, door middel van een uitgebreid bestuursapparaat met ambtenaren van Plinius' kaliber en een krachtige militaire macht aan de grenzen. Een belangrijke factor bij die stabilisering was, dat de inwoners van de overwonnen gebieden het Romeinse burgerschap aangeboden kregen.

Een positief begrip roept altijd het spookbeeld van zijn tegendeel op, wat redenaars en reclamemensen meer dan eens tot hun schade en schande ondervonden hebben. Bij 'stabiliteit' is dat 'destabilisering'. Die Romeinse legers bleken niet onoverwinnelijk te zijn toen in de 4e/5e eeuw een, onverwacht, volk uit het oosten, de Hunnen, een onstuitbare vluchtelingenstroom van Goten in beweging zette, naar het westen en het zuiden van Europa, waarbij de Donau even een natuurlijke barrière vormde, maar niet lang. De Oost-Romeinen hadden hen wél met succes kunnen tegenhouden, vandaar die kanalisering: het doet denken aan de muur in Hongarije en de gesloten grenzen in Kroatië en Slovenië (om de al-dan-niet-vluchtelingen ergens anders heen te sturen). Hoe lang nog voordat de druk van de sharia-Hunnen te groot zal worden? Iedere vergelijking loopt mank, maar het West-Romeinse rijk viel in ieder geval in de handen van de Goten. (Meer hierover)

Genoeg doemgedacht. Er zijn tenslotte ook nog leukere dingen, zoals die andere Europa :-)

Europa, waarmee oorspronkelijk centraal Griekenland bedoeld werd, dan heel Griekenland en dan rond 500 v.C. de hele landmassa achter Griekenland, vanuit het zuidoosten bekeken, dat Europa dus heeft volgens de mythologie zijn naam te danken aan een Fenicische prinses. Nu denk ik dat ongeveer iedere westerling dat verhaaltje wel kent, maar ik ga het hier toch weer vertellen, omdat ik verder wil doorgaan met één element eruit.

Europa, een bloem van een jonge vrouw en prinses in Fenicië (daar dus waar nu Syrië zich bevindt) ging met haar vriendinnen spelen op het plaatselijke strand. Geilaard en oppergod Zeus had, om het klassiek te formuleren, zijn zinnen op haar gezet en verzon de volgende list. In de gedaante van een witte knuffelstier kwam hij het strand opgewandeld en hij was zo goed in zijn sympathieke vermomming dat Europa bloemenkransen rond zijn hoorns wond en op zijn rug klauterde om een ritje te maken. Dat was voor Zeus hét moment om het ruime sop te kiezen met zijn buit en helemaal door te zwemmen naar Kreta. Eenmaal aan land deed hij wat hij niet laten kon (als u details wilt weten: in een wilgenbosje naast een bron) en het resultaat was een paar zonen, die nog heel beroemd zouden worden in de mythologie en daarbuiten.

Met Europa liep het goed af. Ze trouwde met de koning van Kreta, en kreeg van Zeus een paar prachtige geschenken, waaronder Talos (Τάλως), een bronzen reus gemaakt in de smidse van de god Hephaistos. Die reus moest Europa beschermen tegen ongewenste bezoekers, piraten en zo, en daartoe liep hij elke dag drie keer de kust van Kreta langs en smeet ondertussen rotsblokken naar schepen die te dicht kwamen.

En die man van brons kwam ik onlangs tegen op een sociaal medium;-) Een klassieke tweet (of moet ik zeggen 'klassiek getwitter'?) had het over het acroniem TALOS van de Tactical Assault Light Operator Suit. Een 'bionisch harnas' dat soldaten onkwetsbaar moet maken in een aanvalssituatie met blootstelling. Ontwikkeld in het TALOS program van het Amerikaanse leger. Of het acroniem toevallig 'TALOS' geworden is, of met opzet gekozen, heb ik niet kunnen vinden, maar het is wel toepasselijk, al is het eiland Kreta hier gereduceerd tot het lichaam van een militair (m/v). Ze noemen het harnas een military exoskeleton, naar analogie met het exoskelet van insecten.

Zoals dat gaat als je aan het browsen bent, duikelde ik nog meer Talossen op waar dezelfde connotatie van 'verdediging tegen bedreigingen' aan vasthing, met impliciet of expliciet een verwijzing naar de mythologische reus. Verbazend dat voor betekenisvolle namen vaak nog naar de antieke oudheid wordt teruggegrepen.

De Talos Group bijvoorbeeld, van de CISCO-multinational ("to create threat intelligence for Cisco products"). Waren de andere genoemde specimens nog het product van de homo faber, hier moeten we ongetwijfeld spreken van de homo electronicus.

Of  'The Talos Principle', een game dat zich afspeelt in een science fictionwereld (met zo te zien een bionische bodyguard voor een kwetsbaar wit poesje, waar mijn fantasie dan een metamorfose van Europa in ziet met een allusie naar de witte stier. But let's hold our horses...;-).