dinsdag 19 mei 2009

Bertus Aafjes en Piet Worm
vluchten voor de nazistorm

Als allochtone student in Vlaanderen zat ik - in mijn eerste jaar universiteit in Gent - iedere woensdag om acht uur 's morgens in de les van Van Werveke, Geschiedenis van België. Hij had auditorium E tot zijn beschikking, het grootste van de Blandijnberg en je had een kanon kunnen afschieten zonder iemand te raken, tenzij je op de voorste drie middelste rijen had gemikt. Alleen nerds vond je daar, op een uur dat iedereen zich nog eens omdraaide in bed, na een avondje Zolder of Kelder, - én de Belgische-geschiedenis-compleet-onkundigen. Ik leerde er voor het eerst over Boudewijn met de IJzeren Arm, en dat de Belgische opstand van 1830 een vrijheidsstrijd was :-) Want terwijl mijn peers dit al hadden herkauwd in de geschiedenislessen lager en middelbaar, was in ditzelfde soort lessen bij mij slechts de 'Vaderlandse' erin gedrild en die bleek maar een heel vage afspiegeling van de Belgische. Zelfs mét een Belgisch paspoort en ondanks beneden de Moerdijk op school geweest: de Hollandse saus was het enige dat ik meegekregen had.

Het klinkt misschien wat te denigrerend voor het plezier dat ik als kind gehad heb aan die geschiedenislessen. Claudius Civilis, Jacoba van Beieren, Kenau Hasselaar, Het volk was redeloos, de regenten radeloos en het land reddeloos - de rij is lang, met stuk voor stuk bouwstenen van een identiteitsbesef dat als gemeenschappelijk wordt aangevoeld van het Noorden tot het Zuiden des (Neder)lands. Een canon. Iets daarvan vind ik (in mijn huidige ethnie) terug bij Jan Breydel en Pieter De Coninck (ook die verhalen verslond ik als kind). Het is geen lange reeks, maar misschien heb ik mijn Van Werveke onvoldoende fanatiek van buiten geleerd - voor dit soort geschiedenis moet je de onbevangenheid van een kind hebben. Ze wordt dan ook afgedaan als onwetenschappelijk. 'België' heeft voor mij geen nationale geschiedenis van betekenis - 178 jaar is wat kort; ofwel heb ik die verhaaltjes gemist. Wie weet maakt deze vage identiteit het jonge rijkje België wel bij uitstek geschikt om als Europees centrum te dienen.

Verder waag ik me niet in dit mijnenveld, waar ik ongetwijfeld afgeschoten zal worden nog voor ik een meter gevorderd ben.

Dus liever terug naar de onschuldige jeugd, bezaaid met helden en spannende gebeurtenissen, zoals verteld door de onderwijzer. En zoals verteld en getekend door Bertus Aafjes en Piet Worm in hun Vrolijke Vaderlandse Geschiedenis. Het verraste mij dat ik bijna* geen toespeling kon vinden naar dit werkje in de recensies en aankondigingen van de twee publicaties (2005 en 2006) die op dezelfde manier zijn opgevat: de Rijmkronieken van Driek van Wissen en Jean Pierre Rawie. In sinterklaasverzen wordt er de Nederlandse geschiedenis op een humoristische manier verteld, in het laatste geval met allerlei toespelingen voor de 'grote mensen', in het eerste geval helemaal voor de (lagereschool-) kinderen bedoeld. De tekeningen van Piet Worm zijn ronduit schitterend. En blijkbaar is deze publicatie van 1948** compleet vergeten.

Ik had een opa, gepensioneerd onderwijzer, die graag boeken maakte en inbond. Zo is de Vrolijke Vaderlandse Geschiedenis uit de Volkskrant in onze boekenkast terecht gekomen en platgelezen. En bewaard. Ik vind het mijn plicht dit pure plezier opnieuw wereldkundig te maken. Hier*** vindt u het op internet. Maar omdat dit een blog is over o.a. de Romeinse oudheid, zal ik ook nog een citaat afdrukken i.v.m. die vroegste Nederlandse geschiedenis uit de VVG. Dan krijgt u gelijk een idee over de lichtheid en speelsheid waarmee Aafjes dit geschreven heeft. Waarschijnlijk heb ik hier voor het eerst kennis gemaakt met de klassieken :-)

Vijftig jaar voor Christus kwam
Hier een Zuidelijke stam,
Die, zoals wij al wel weten
De Romeinen wordt geheten,
Daar zij uit de buurt van Rome
Met hun legers zijn gekomen;
Caesar, een geducht Romaan,
Voerde deze troepen aan.
Vechten was zijn lust en leven.
Hij heeft ook een boek geschreven,
Waaruit wij dit alles weten.
Dit wordt onze bron geheten
Wijl men, als het ware, kon
wijsheid putten uit een bron
.
Maar wij zijn nog veel te klein
En verstaan nog geen Latijn.
Als wij echter duchtig leren,
Kan ook deze kans verkeren;
Wij behalen dan de prijs
Van het Hoger Onderwijs:
Daar leest men met animo,
In "De Bello Gallico".
----------------------------
* Hier een bericht met een toespeling. De term 'braaf' is wat flauw. Er wordt niet vermeld dat Aafjes' versie voor kinderen is en die van Van Wissen en Rawie voor volwassenen.
** In 1958 is de VVG in boekvorm uitgegeven, met toevoeging van een aantal kleurtjes en blijkbaar een uitbreiding, of herschikking, voor zover ik dat op internet kon zien.
*** Als u op F11 drukt krijgt u de best leesbare versie op uw scherm, doordat de bovenste en onderste balken verdwijnen. Ze worden weer zichtbaar als u de cursor naar de bovenkant van het scherm beweegt, of opnieuw F11 drukt.
26/5 In de titel beeldenstorm veranderd in nazistorm. Dat herinnerde ik mij blijkbaar niet zo goed ;-)
.

dinsdag 12 mei 2009

Latijnse spreuken


Dit kemeltje heeft het weblog gelezen van Marc Vanfraechem, waar het met plezier naar verwijst. Het gaat er over de bekendheid van, en met, Latijnse spreuken.

zaterdag 9 mei 2009

Fluitende spinnen


De Morgen, 8 mei 2009:
'De Noord-Australische stad Bowen houdt de adem in voor giftige spinnen die zo groot zijn als een schoteltje. (-) De onwelkome gasten dragen de Latijnse naam Phlogius crassipes omdat zij luide fluitgeluiden maken wanneer zij zich bedreigd voelen.'

--------------------------------------------------------------------------
(phlogius = brandend; crassipes = met dikke poten)

.

De nieuwe Stoïcijn


Een stoïcijn, volgens Van Dale, is iemand 'die leed en pijn onverstoord en zonder klagen draagt'. Stoïcijns is 'onverstoorbaar, gelijkmoedig, onaangedaan, gelaten'. Het is altijd nuttig in deze tijden van taalverandering en spellingsaanpassingen even bij de laatste Van Dale te checken of nieuwe betekenissen dit monument van het Nederlands zijn binnengedrongen. Zo te zien niet.

Dan heb ik een paar dagen geleden denkelijk een nieuwe betekenisdraad ontdekt. Het NRC Handelsblad (3 mei) had een kop Stoïcijns tegendraads beleggen. 'Stoïcijns tegendraads': gaat perfect, zolang je je emoties bij dat 'tegendraads' niet de bovenhand laat krijgen. En op die manier beleggen, met het hoofd koel en wel beredeneerd tegen de stroom in: past prima in het plaatje. Ik had de bladzijde al weer bijna omgeslagen, want van beurs- en koersgedoe heb ik niet veel verstand. Maar mijn taaltuinkabouter wilde meer. En kreeg meer.

"In de chaos op de beurzen die veel fondsen fataal werd, zag Transtrend stoïcijns de rendementen oplopen (stoïcijns in de klassieke betekenis dus, met Transtrend als een hedgefonds-personage: kan). De truc? Scheid het kuddegedrag en de emoties van de beleggers van de algoritmen die systematisch de trends op de beurzen berekenen. Sluit iedere menselijke factor uit en maak de computer de baas. (-) Het systeem houdt nauwlettend de trends in de gaten en spuugt drie keer per dag signalen uit die worden omgezet in aan- en verkoopopdrachten. Heel gedisciplineerd, zonder emotie."

Wij hoeven dus niet meer voorrang te leren geven aan de rede en werken aan het beheersen van onze emoties, om zo een betere (beurs)mens te worden. Nee, zo'n levensvorm kan dan nog altijd een ongeleid projectiel blijken te zijn. Een risicofactor die nu gelukkig uitgeschakeld kan worden door de Nieuwe Stoïcijn, de computer :-)

woensdag 22 april 2009

Piraterij in de Romeinse oudheid


Van de historicus Bart De Wever heb ik al eens eerder een tekst gesignaleerd, en dat doe ik nu weer, een opnieuw vlot geschreven artikel in De Standaard (21/4/09) over piraterij in de Romeinse oudheid, onder de titel 'Een oud zeer'. I.v.m. dit onderwerp kan ik ook nog verwijzen naar een stukje op mijn website in het hoofdstuk 'Een schurk als gouverneur', over de beruchte Verres, beklaagde in de enige rechtzaak waar Cicero als aanklager optrad:

De kuststreken van Sicilië hadden veel last van piraten. Daarom rustten de gouverneurs ieder jaar een vloot uit om het handelsverkeer te beschermen. Dit werd bekostigd door de kuststeden, die gewoonlijk ook een schip leverden, manschappen en voorraden inbegrepen. Maar voor Verres hoefde zo’n schip niet als hij voldoende steekpenningen van de kuststad kreeg. De bemanning, d.w.z. ieder die ervoor betaalde, mocht van hem afmonsteren. Op een gegeven moment werd de vloot – die onder het opperbevel stond van een Syracusaan, niet een Romein zoals behoorde – aangevallen in de haven van Pachynus. De Syracusaan was een onbekwame bevelhebber en zijn vloot was compleet onderbemand door Verres’ bemoeiingen. Twee schepen werden buitgemaakt, de rest van de vloot brandde uit. De piraten konden veilig ontkomen. Verres echter dwong al de kapiteins van de vloot een document te ondertekenen waarin ze verklaarden dat de oorzaak van deze ramp niet lag bij de uitrusting of bemanning van de schepen, want dat die perfect in orde was geweest. Daarna liet hij hen ter dood brengen.

Aanleiding voor het schrijven van De Wevers stukje zijn de scheepskapingen door Somalische piraten, die de laatste tijd voortdurend in het nieuws zijn. Hij ziet opvallende overeenkomsten tussen hen en die oude spitsbroeders. 'Geruïneerde mannen van alle naties' noemt hij hen, in navolging van Mommsen. En hij suggereert dezelfde 'realpolitieke' en barmhartige oplossing voor het probleem zoals toen Pompeius doorvoerde. Benieuwd wat de VN-conferentie over Somalië ervan zal maken.

donderdag 16 april 2009

Dj Kant en een socratische geur van heiligheid

NRC-Handelsblad: "Filosofie is geen strenge wetenschap meer maar een themafeest voor tv-shows en dagtrips. Met dj Kant dansen op het lijk van de academische wijsbegeerte" (titel van een artikel van Menno Lievers, 11-04-2009). Een wat sombere filosoof Lievers over de verwording van de academische filosofie: sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw zijn er geen filosofische werken meer verschenen die echt iedereen die in het vak werkt gelezen moet hebben. Alles staat op internet, ongecontroleerd veelal, zonder dat de leek kwaliteit kan onderscheiden van 'speculatieve pseudowetenschap'.

En het is een zeer van deze tijd: "De wil om ergens moeite voor te doen, om te worstelen met een filosofische tekst in de hoop erin door te kunnen dringen om zo inzicht te kunnen verwerven, ontbreekt. De media versterken dit. Het moet leuk zijn en vlot. Het mag best een beetje filosofisch, mits de stelling maar door een peiling en een panel beantwoord kan worden."

April, de maand van de filosofie, mag dan al aanleiding zijn tot overpeinzingen waarin internet en media een ondersteunende rol spelen in de teloorgang van de Wijsbegeerte: een blik op een pre-internettekst (ten bewijze hiervan: de spelling :-) doet vermoeden dat dergelijke pseudowetenschap geen exclusief product is van onze tijd. Mijn leerlingen kregen hem voorgeschoteld als we Plato's Apologie van Sokrates lazen, om er hun analytische vaardigheden eens op los te laten:

Geen twee namen hebben voor onze Westersche beschaving meer te beteekenen gehad dan deze: Jezus en Sokrates. Van geen van beiden bezitten we een letter schrift. Jezus kennen we slechts door de niet geheel overeenstemmende evangelisten, Socrates kunnen we bijna alleen benaderen door twee zijner leerlingen, die elk een anderen Sokrates te aanschouwen geven: den lager staanden, praktischen Xenophoon en den eminent-begrijpenden, maar dichterlijken Platoon.
Jezus en Sokrates. Welk een overeenkomst - maar, ook, welk een verschil! Beiden
gemeen was de zekerheid, die alleen daar ontkiemen kan, waar klaarheid het levenspad verlicht en nadervoert tot het eens gestelde doel, rechtuit, met vasten tred. Beiden werden door de meerderheid gedoodvonnist. En beider dood staat vóór ons in het felste licht: een slottafereel, welks werking de eeuwen trotseerde. Het verschil gaat dieper: de een fantastisch, wonderen doende, troostend met al de ingevingen eener dichterlijke fantazie, de ander van poëzie veeleer afkeerig, prozaïsch koel in den strijd tegen alle roerselen des gemoeds welke den geest afleiden van zijn taak, die is bevrijding uit de macht der aandoeningen: ze niet verloochenend, maar ferm in de oogen ziende, ze niet doodend, maar onder alle omstandigheden beheerschend. De een suggereerend een gelooven, de ander een dwingeland in het denken; de een zich richtend tot de verbeelding, de ander tot het nuchter verstand. Jezus predikte naastenliefde, Sokrates dwong tot zelfbezinning. Jezus en Sokrates, dat beteekent het contrast van geloof en wetenschap; een contrast, dat de zwakste van de twee steeds weer tracht te overbruggen of te verdoezelen....

De auteur (ik weet niet meer wie), sprekende in termen van 'den lager staanden Xenophon', is duidelijk nog niet gehinderd door enige politieke correctheid, maar dat kom je in de hele vroegere vakliteratuur tegen. En het moralistische toontje, de geëxalteerde idealisering - je zult het in hedendaagse filosofische teksten waarschijnlijk niet vinden. Maar deze tekst (die ik gevonden heb in een seminarie klassieke filologie - maar niet van UGent!) biedt ook een duidelijk voorbeeld van de 'praat-voor-de-vaak'-argumentatie waarmee Sokrates steeds maar weer in één rijtje met Boeddha en Jezus geplaatst wordt. Nuttig dus als apotropaion :-)

Een contrast (maar daarom nog niet een verademing) met deze sacralisering van het 'filosofiebeest' Socrates biedt dan weer een publikatie die tien jaar geleden door de krant De Morgen aan de scholen aangeprezen werd. Met 'Het verhaal van de filosofie, 2500 jaar westers denken' wilde Jongeren & Media jonge mensen op een ludieke manier kennis van de filosofie bijbrengen. Prijzenswaardig natuurlijk, totdat ik het filosofiepaspoort in handen kreeg, een vragenlijst waarbij je jezelf kunt testen over wat je zoal geleerd hebt. En waarbij ik mij afvroeg wàt hen precies over Sokrates voorgeschoteld was: "Hij was verre van mooi. Alle afbeeldingen van hem tonen een man met een mopsneus en een hondenkop. Hij had veel gevoel voor humor en ironie en had een grote persoonlijke uitstraling" (in het hoofdstuk 'Wie is wie?').
Hondenkop?

maandag 6 april 2009

Penelope meets Agamemnon


"...is die Donnapresentatrice gewoon een Penelope die gewoon zit te weven en te breien totdat het echte spel kan beginnen, totdat Agamemnon thuiskomt..."
Claude Blondeel in Mezzo, Radio 1, 6 april 2009
Best je mythologie nog eens opfrissen, Claude.

woensdag 18 maart 2009

Memoria en synesthesie


Dit wordt een bericht over het synesthetisch aspect van de geheugenkunst, maar eerst wil ik een paar algemene bedenkingen kwijt. In een drietal paragrafen.

De geheugentechniek die ieder schoolkind in mindere of meerdere mate toepast(e) heeft in onze taal de naam van 'ezelsbruggetje' gekregen. Daar horen geheugen en onthouden in de schoolse opvatting blijkbaar thuis: bij de (domme) ezels - de slimmeriken hebben het na één keer horen al mee. Als ik mijn leerlingen vroeg naar de methode waarmee ze hun Latijnse of Griekse woordjes van buiten leerden reageerden ze dus eerst wat beschaamd, maar snel wilden ze wel hun eigen slimme vondsten vertellen, nog even vindingrijk als die van onszelf, vroeger. Het is iets dat een 'sluipend' bestaan leidt, deze trucjes, vooral nu in het huidige onderwijs pedagogen geen woorden genoeg kunnen vinden om dat domme van-buiten-leren te verketteren. Binnenkort hoeven ze zich niet meer druk te maken: ik lees dat onderwijsminister Vandenbroucke experten een schoolhervorming laat onderzoeken en die zouden aanbevelen dat het Latijn in de eerste twee jaar M.O. verdwijnt. (21/3 Volgens DS zouden ze het Latijn dan weer wel willen behouden, maar 'met minder uren'.)

Sinds de zogenaamde democratisering van het onderwijs duikt steeds opnieuw dezelfde pseudotegenstelling op: het is ofwel van buiten leren, ofwel het 'zelf' vinden. Het een zou het ander verdringen. De oude paternalistische stijl zwoer bij het memoriseren: dan gooien wij toch zeker, verlicht als we zijn, het kind met het vuile badwater weg? Deze georganiseerde sluipmoord op onze unieke gave, het geheugen, duurt al een aantal generaties en heeft er nu nog een pseudo-argument bijgekregen: 'als ik iets niet weet, dan zoek ik het toch gewoon even op op internet?'

Alsof je geheugen gebruiken en oefenen het zelfstandig denken in de weg zouden staan. Alsof je tot verhelderende inzichten via redeneren kunt komen zonder te hoeven steunen op een degelijke parate kennis. Alsof kennis in je geheugen stoppen tijdverlies zou zijn ('via de computer gaat het toch sneller?').

U hebt nu onderhand wel door waar mijn positie in deze kwestie is ;-)

Al bijna twintig jaar liggen in een hoekje van mijn geheugen twee teksten samen opgeslagen, één ervan van Cicero. Iets waarvan ik toen dacht: daar moet ik wat mee doen. In 1990 kocht ik namelijk een boekje, een 'klein boekje over een enorm geheugen', dat die associatie met Cicero opriep. Nu heb ik het weer uit de kast gehaald.

De trigger was een artikel afgelopen week in de kranten. Vandaag in DM en en op 14 maart in DS vond ik een bericht over Daniel Tammet, 'een autistische savant'. In het begeleidend artikel 'Hoe doet hij het?' las ik: Daniel Tammet gaat op een intuïtieve manier met getallen om, zoals 'gewone' mensen met hun moedertaal omgaan. Hij hoeft er niet bij na te denken als hij een som oplost. Zijn geheim: hij visualiseert getallen, met een moeilijk woord heet dat synesthesie. (-) "Grote getallen, zoals Pi, breek ik op in combinaties van getallen die ik mooi vind. Ik boetseer ze in mijn geest tot een landschap. Als ik daar in gedachten doorga, kan ik moeiteloos de cijfers opsommen." Tammett is zo'n slimmerik die geen ezelsbruggetje nodig heeft. Hij leert ook talen op die manier, supersnel. De in groen gedrukte woorden brachten mij het volgende in herinnering.

In het kleine boekje* dat ik in 1990 kocht, The Mind of a Mnemonist, beschrijft psycholoog Aleksandr Loeria zijn wetenschappelijke studie van een man die over een gelijkaardige gave beschikte als Tammett. De man, Solomon Shereshevskii, was naar Loeria gestuurd door zijn werkgever, de hoofdredacteur van een krant. Die had de man bijna willen ontslaan, omdat hij geen nota's nam bij interviews, maar toen Shereshevskii als de normaalste zaak van de wereld de volledige conversatie woord voor woord exact uit het hoofd opzei, leek onderzoek hem interessant. Dat was in de jaren '20 van vorige eeuw. Loeria zou de man zo'n 30 jaar volgen.

Loeria schrijft met veel sympathie over zijn onderwerp. S., zoals Loeria hem noemt, heeft de gave zich alles tot in het kleinste detail te herinneren, en die herinneringen komen steeds visueel in zijn geest naar boven. S. blijkt, in tegenstelling tot Tammett, niet een betere vat op zijn leven gekregen te hebben en zijn gave altijd als een probleem ervaren te hebben. Vooral omdat de herinneringen niet wegdeemsterden zoals bij een 'normaal' iemand, maar zich steeds bleven opdringen en soms een chaos in zijn hoofd creëerden. (Loeria [p.67]: Many of us are anxious to find ways to improve our memories; none of us have to deal with the problem of how to forget. In S.'s case, however, precisely the reverse was true. The big question for him, and the most troublesome, was how he could learn to forget.) Op het einde van zijn leven leerde hij het enigszins controleren.

S. stemde erin toe met Loeria allerlei proeven uit te proberen. Eén ervan was om S. een lange lijst van woorden voor te lezen / te laten lezen, die hij in de juiste volgorde van buiten moest leren en kunnen opzeggen:
Each word would elicit a graphic image (-) Most often (-), he would "distribute" them along some roadway or street he visualized in his mind. (-) ...he might also select a street in Moscow. Frequently he would take a mental walk along that street - Gorky Street in Moscow - beginning at Mayakovsky Square, and slowly make his way down, "distributing" his images at houses, gates, and store windows. (p. 32)

Toen ik dit las was ik even verbluft, zo sterk leek dit op de geheugentechniek beschreven in Latijnse teksten van Cicero (De Oratore II, 351 e.v.), de Rhetorica Ad Herennium (III, 28-40), en Quintilianus (Institutio Oratoria, XI, 2), zo'n 2000 jaar eerder. Wat eeuwen lang tot de onderwijstechnieken van de retorica behoord had bleek bij Shereshevskii op natuurlijke wijze te 'gebeuren'. De verdere uitbouw van deze gave werd door hem beschouwd als iets unieks en oorspronkelijks van hemzelf. Terwijl die Romeinse studenten in de welsprekendheid (en veel later in de middeleeuwse abdijen), geen savants, zich diezelfde geheugenkunst met veel geduld en inspanning volgens de voorschriften van hun leraars eigen gemaakt hadden. Het was één van de elementen van de voorbereiding voor een redevoering: inventio, dispositio, elocutio, memoria, pronuntiatio.

De techniek van de μνημοσυνη of memoria (Frances Yates** heeft hierover een degelijk boek gepubliceerd) zou teruggaan op de Griek Simonides (6e eeuw v.C.) en was gebaseerd op loci  en imagines, het toekennen van plaatsen en afbeeldingen aan onderdelen van de speech (wat bij Loeria 'technique of eidetic images' heet, maar ik heb bij hem nergens een verwijzing gevonden naar de Romeinen). Cicero schrijft hierover: 'Simonides, of een ander die dit heeft uitgevonden, heeft heel juist begrepen dat wat de beste en scherpste indrukken in onze geest veroorzaakt onze zintuigen zijn; en dat ons allerscherpste zintuig het zicht is.'
(Vidit enim hoc prudenter sive Simonides sive alius quis invenit, ea maxime animis effingi nostris, quae essent a sensu tradita atque impressa; acerrimum autem ex omnibus nostris sensibus esse sensum videndi.)

Bij Quintilianus moeten we ons de klassieke redenaar voorstellen als iemand die in zijn verbeelding door zijn geheugengebouw beweegt terwijl hij zijn redevoering houdt, en van de in zijn geheugen geprente plaatsen de beelden wegneemt die hij daar heeft neergezet. De methode garandeert dat de verschillende punten van zijn betoog in de juiste volgorde worden onthouden, omdat de volgorde is vastgelegd in de opeenvolging van plaatsen in het huis.
'Wat ik over dat huis heb gezegd, kan ook met openbare gebouwen, lange wegen, rondwandelingen door steden en schilderijen. Het is zelfs mogelijk dergelijke beelden te verzinnen. Wat men dus nodig heeft is een locatie, die verzonnen of echt is, en beelden of afbeeldingen, die hoe dan ook verzonnen moeten worden(...)'.
(XXI. Quod de domo dixi, et in operibus publicis et in itinere longo et urbium ambitu et picturis fieri [spieri] potest. Etiam fingere sibi has +imagines+ licet. Opus est ergo locis quae vel finguntur vel sumuntur, et imaginibus vel simulacris, quae utique fingenda sunt.)

Maar de Rhetorica Ad Herennium geeft een concreet voorbeeld, tamelijk bekend, omdat er voor de huidige lezer rare associaties instaan: 'De aanklager heeft bijvoorbeeld gezegd dat de beklaagde een man gedood heeft met vergif, heeft in zijn aanklacht opgenomen dat het motief voor de misdaad een erfenis was en heeft verklaard dat er veel getuigen en medeplichtigen waren bij deze daad. Als we, om ons verdedigingspleidooi te vergemakkelijken, dit eerste punt willen onthouden, zullen we in onze eerste achtergrond een beeld willen scheppen van heel de zaak. We zullen de persoon over wie de zaak gaat afbeelden als ziek in bed liggend, als we hem kennen. Als we hem niet kennen zullen we toch iemand kiezen voor onze zieke, maar dan iemand van de laagste stand, zodat hij ons onmiddellijk voor de geest kan komen. En we zullen de beklaagde naast het bed plaatsen, met in zijn rechterhand een kom, en in zijn linker schrijftafeltjes, en aan de vierde vinger de testikels van een ram. Zo zullen we in ons geheugen de man kunnen verankeren die vergiftigd werd, de erfenis, en de getuigen. En zo zullen we ook de andere punten van de aanklacht opeenvolgend in achtergronden plaatsen (...).'

Zo gaat de Ad Herennium nog een tijdje door. De vraag is of dit inderdaad bij de studenten het gewenste effect heeft gehad. Volgens Quintilianus wel. En de Ad Herennium heeft nog tot in de Middeleeuwen fervente navolgers gehad. Het blijft natuurlijk intrigerend, dat zo'n aangeboren (en misschien ongewenste) gave van het geheugen bij Tammett en Shereshevskii zo perfect gelijk loopt met de 'kunstmatige' training van de Romeinse retoricastudenten. Misschien zijn hierover al studies geweest. Dan graag een seintje.

---------------------------------------------------------------------------------
* The Mind of a Mnemonist - A little book about a vast memory, A. R. Luria, Harvard University Press (1987). In het Russisch "Malen'kaia knizhka o bol'shoi pamiati" - Eerste druk 1968
** Frances Yates, The Art of Memory (1966)

vrijdag 30 januari 2009

Sapphische strofe, imitatio en haiku


afflatus Musae
septendecim syllabae
carmen est: haecu

Bovenstaande haiku is een Latijnse vertaling van de haiku van Hannie van Blitterswijk, die ik als aanhef gebruikte voor een poëzieoefening tijdens het thema 'Lyriek'.

Uitgangspunt was Horatius, geen haikuschrijver, maar hij zou het met veel plezier geprobeerd hebben, poëtische scherpslijper als hij was. Horatius schreef nl. soms in sapphische strofen, waarin je drie hendecasyllabi hebt, met aan het staartje, als vierde regel, de adoneus. De naam van deze strofen gaat terug op de grote dichteres Sappho, die samen met haar tijdgenoot Alcaeus (rond 600 v.C.) deze dichtkunst beoefend (en uitgevonden) heeft. Kenmerk voor de bouw van de gedichten is o.a. de beperking van het aantal uitgesproken lettergrepen per regel, 11 in getal, zoals de naam zegt: hendeca (11) syllabi. Als u het zelf eens wilt natellen, hier een strofe van Horatius (Carm. I,30):

Parcius iunctas quatiunt fenestras
iactibus crebris iuvenes protervi
nec tibi somnos adimunt amatque
ianua limen, 
(Minder en minder vaak komt het voor<
dat uitgelaten jonge kerels
tegen je gesloten luiken keitjes gooien
en je uit je slaap houden.
De deur blijft potdicht.)

Horatius had natuurlijk nog heel wat meer troeven bij de hand voor het maken van zijn schitterende poëzie, het volgen van de regel van de lettergrepen alleen zou een doods geraamte opgeleverd hebben.

Onze leerlingen schrijven niet zo vlot Latijn meer als vroeger (:-), en om hen toch eens de ervaring van zo'n strenge dichtdiscipline te geven is de haikuversvorm ideaal. De methode is betrekkelijk simpel: 3 regels met lettergreepschema 5-7-5 en qua inhoud moet er een natuur- of persoonlijk gevoel in zitten, liefst met een omslag. Dat is één.
En twee: imitatio is toegestaan. Het imiteren van een grote voorganger en met hem kunnen wedijveren in originaliteit bij de verwerking van het onderwerp, dat stond bij Grieken en Romeinen in hoog aanzien. Natuurlijk niet letterlijk overschrijven, dat was en is plagiaat. Dus stelde ik de leerlingen voor om eens te gaan grasduinen in hun teksten van Ovidius, Catullus, Horatius, Vergilius etc. en daar een tekst te vinden die zij in een haiku konden gieten. Zelf een Latijnse haiku verzinnen kon natuurlijk ook.

Een (technisch) voorbeeldje uit Vergilius, dat ik ergens had gevonden, gaf ik hen ter illustratie: een hexameter die een perfect haikuschema bevat, zonder haiku-'inhoud' weliswaar:

quadripedante
putrem sonitu quatit
ungula campum
(met zijn vier hoeven
beukt het met luide hoefslag
in het rulle zand)

Het waren grote klassen, dus de oogst was rijk. Zo nu en dan moest er wat gesleuteld worden aan de syntaxis. Hier volgen er een paar, ik laat u zelf raden naar de geïmiteerde Latijnse voorganger (ze gaven er ook een vertaling bij).

nuda silice / inter densas corylos / gregem reliquit.
Op een naakte rots / tussen de dichtbegroeide hazelaars / liet zij haar kudde achter.

placidus mulcet / Zephyrus natos sine / semine flores.
Rustig streelt / de Westenwind de zonder / zaad geboren bloemen.

recubas mecum / sub fagis et sidera / pernumeramus.
Jij ligt op je rug met mij / onder de beuken en / wij tellen sterren.

video nimbum / ille simulat formas / utinam possem
Ik zie een wolkje / het neemt alle vormen aan / kon ik dat ook maar.

En deze laatste is een oorspronkelijke, knap van sfeer én van omslag.

Tenslotte toch ook even een Latijnse-haikudichter signaleren: Marcel Smets (+), met o.a. de prachtige bundel Tonight they all dance. Een Vlaams Latijnse-haikugenootschap vindt u hier.

vrijdag 5 december 2008

Redekunst in blogs, maar vooral daarbuiten


Zolang ik de waarheid niet weet over elk van de dingen waarover ik spreek of schrijf, zolang ik niet in staat ben van elk ding de eigen definitie te geven, zolang ik, na het geven van de definitie, de dingen niet weet in te delen in soorten, en wel zo dat verdere onderverdeling onmogelijk is; zolang ik eveneens betreffende de natuur van de ziel niet datzelfde inzicht heb en zolang ik voor elke natuur niet de bijpassende soort rede weet te vinden, zolang ik mijn redevoering niet zo weet op te stellen en te ordenen dat ik aan een complexe ziel ook complexe, alle toonsoorten omvattende redevoeringen, of aan een enkelvoudige ziel enkelvoudige redevoeringen kan bezorgen: zolang dat alles niet gebeurd is, zal ik niet in staat zijn - althans niet in de mate waarin dat uit de aard der zaak mogelijk is - het oratorische genre kunstvaardig te beoefenen, noch in zijn didactisch, noch in zijn overredend aspect. (Socrates)

80% van de bloglezers is op dit moment al lang vanhier weggevlucht.
Wegens overtreding van blogregels:
- het voorwerp van de beschouwing staat achteraan en niet in het begin
- de tekst is negatief geformuleerd
- de zin(nen) bestaan uit meer dan 15 woorden
- het tekstblok is langer dan vijf regels vóór de witspatie
- er staat meer dan één ondergeschikte zin bij de hoofdzin (waar staat die eigenlijk? Hier wordt zeker niet het schema OPA gevolgd - Onderwerp, Persoonsvorm, Al de rest.)
- en waar is de concrete formulering?

Plato citeer je dus beter niet als je je een druk bezochte blog wenst. Of je gebruikt tenminste niet de vertaling van X. De Win (1) (IV [Phaedrus] p.76), waar een volzin gemakkelijk een halve bladzijde kan beslaan, zoals in het Griekse origineel (2). Ideaal gezien, vanuit blogoogpunt, moet het woord- en zinsgebruik op het onderwijsniveau van 12- tot 15-jarigen staan. (3)

En toch gaat bovenstaand citaat ook over goed spreken en schrijven, zowel naar vorm als naar inhoud een weerspiegeling van Plato's opvatting dat deze vaardigheid maar verworven wordt door moeizame inspanning, vooral dan op intellectueel gebied. Je moet de waarheid weten voordat je je mond opendoet. Bijzonder streng was Socrates/Plato in dit verband voor Gorgias, de grote redenaar, die hij voor de voeten wierp dat zijn redekunst een lege doos was, een vaardigheid zonder eigen inhoud en slechts een instrument van vleierij. Woordenkramerij op zoek naar effect, zoals ook de redenaar Tisias, die verklaarde dat de ware overredingskunst op waarschijnlijkheid berustte, en dat je met waarheid geen succes kon scoren (het gaat hier wel over rechtszaken).

[Zijn 'klassieke' voorbeeld: Een kleine dappere man geeft een grote laffe man een pak slaag. De grote sleept hem voor het gerecht, maar de kleine argumenteert: "Is het waarschijnlijk dat ik, klein als ik ben, zo'n kolossale kerel afgerost zou hebben?" en wint het pleit, want iedereen vindt dit onaannemelijk.]

Verrassend is wel dat Plato in de latere dialoog Phaedrus heel wat milder lijkt te staan ten opzichte van de redekunst. Vóór het volgend fragment (p.78) stuurt Socrates Phaedrus naar huis met een boodschap voor diens vriend Lysias. Waarop Phaedrus:

PHAEDR. Maar jij? Wat ga jij doen? Want jouw boezemvriend mogen we ook niet vergeten. SOCR. Wie is dat? PHAEDR. De mooie Isocrates! Wat zul je hem als boodschap brengen, Socrates? En welke naam zullen we hem geven? SOCR. Isocrates is nog jong, Phaedrus. Toch wil ik je wel vertellen welke toekomst ik voor hem voorspel. PHAEDR. En welke is dat? SOCR. Het wil mij voorkomen dat hij, wat zijn natuurlijke begaafdheden betreft, te goed is om hem naar de maatstaf van Lysias' literaire verdiensten te meten; daarbij lijkt hij me edeler van karakter. Het zou me dan ook volstrekt niet verwonderen, als hij met de jaren zo ging uitblinken in juist dat literaire genre waar hij zich nu op toelegt, dat al de anderen die zich ooit met literatuur hebben beziggehouden naast hem kinderen zullen lijken. En evenmin, als deze zaken hem later niet meer zouden bevredigen en als een meer goddelijke aandrang hem tot hogere dingen zou brengen. Want, mijn vriend, er schuilt van nature een zekere begeerte naar wijsheid in de geest van die man. Wel, dat is dan de boodschap die ik uit naam van de goden van deze plaats overbreng aan mijn geliefde Isocrates; en breng jij je boodschap naar Lysias, jouw geliefde.

De redenaar Isocrates wordt nu (inderdaad) beschouwd als de grootmeester in het genre. Hij is sober, beheerst en coherent in zijn teksten, en weet een gedachte op een oneindig genuanceerde manier onder woorden te brengen. Hij is de schepper van de mooie volzin, de 'periode'.(4) Een voorbeeld heb ik op het net gezet, het is een tekst die ik wel eens in de klas las (fragment van een lofrede op de Atheners die, als enigen, de Perzen het hoofd geboden hadden) - eigenlijk niet te doen, dacht ik - en die, tot mijn verbazing, op de waardering van de leerlingen kon rekenen, zoals dat ook bleek te zijn met dit soort periodes van Cicero. Ze zagen ze als een uitdaging voor hun taalkennis, voelden zich aangesproken op hun intelligentie en hun vindingrijkheid bij het vertalen, hadden kortom helemaal niet de reactie die veel huidige taaldidactici hebben bij dat oude Latijn en Grieks, dat 'onverstaanbaar geworden is door zijn geconstrueerdheid'. Hún aanbevelingen wijzen zoals gekend naar taalgebruik dat geschikt is voor 'communicatie': niet te lang, weinig onderschikking, enfin, genre blog. 'Schrijftaal' mag blijkbaar niet meer.

Plato en Isocrates vallen heus wel te vertalen volgens blognormen. Maar dan mis je de meerwaarde van die prachtige volzinnen. En je laat diezelfde rijkdom, waarvoor het Nederlands even goed uitgerust is, maar dan op zijn eigen manier, onherroepelijk verloren gaan.

------------
1 Plato, Verzameld werk, Xaveer De Win, herziene uitgave 1999, Pelckmans Agora
2 Een gedeeltelijke vertaling van de Phaedrus vindt u ook hier.
3 Op deze engelstalige site kun je het moeilijkheidsniveau van een blog meten :-)
4 Ook op Isocrates’ evenwichtige en gepolijste taal is er kritiek gekomen, cfr. de beroemde uitspraak van Norden : "Marmorglatt aber marmorkalt".
.

zondag 16 november 2008

Ancient Rome 3-D van Google Earth

Een bericht in InformationWeek van 12 november: vanaf nu kun je in Google Earth een virtuele 3-D-uitstap maken in het antieke Rome, gebaseerd op het Rome Reborn-model van het Institute for Advanced Technology in the Humanities.

Doe Google Earth open (na het geïnstalleerd te hebben), ga naar Layers, Gallery en kies Ancient Rome 3D. Met de muis op Rome gaan staan en uitvergroten (ofwel met het wieltje op de muis, of links dubbelklikken, en om te 'stoppen' één klik, enz. - het duurde even voor ik de handigheid te pakken had), totdat je een zodanige uitvergroting hebt dat er gele gebouwtjes op het scherm verschijnen. Die brengen je met een klik naar een tekst van Rome Reborn (met links naar meer documentatie). Geleidelijk verschijnen de 3-D-figuurtjes. De tijd van de dag kun je instellen (veranderlijke schaduwen en licht/donker effecten). Het is wat uitproberen.

En dat alles geprojecteerd boven het 'echte' Rome. Gratis en voor niks op je eigen bureau (afgezien waarschijnlijk van een paar cookies links en rechts). Voorlopig alleen in het Engels.

Enkele video-animaties van Rome Reborn geven nog een 'echter' beeld: Roman Forum, Basilica of Maxentius, Colosseum, City overview, en een indruk van het vernieuwde model Rome Reborn 2.
.

zaterdag 8 november 2008

Als runderen en paarden handen hadden...


De mentale parallax van mensen- en dierenwereld op de ludieke en humoristische website van Denis Rionnet met zijn Société protectrice des Humains uit mijn vorig bericht bracht me weer terug bij een tekst die ik las bij het onderdeel Griekse filosofie.


Het zijn hexameters van de presocratische filosoof Xenophanes van Colophon (6e/5e eeuw v.C.):

Stel dat runderen, paarden en leeuwen handen hadden en met die handen ook konden schilderen en net als de mensen werken konden voltooien, dan zouden de paarden paardachtige en de runderen op runderen gelijkende goddelijke gestalten schilderen of lichamen vervaardigen, in zo'n gestalte als ze ieder ook zelf hadden.

Een heerlijk ironische tekst, die de opvatting van veel presocratici verwoordt dat het antropomorfe-godengedoe van hun Griekse medeburgers niet van een grote intelligentie getuigde, want goden zijn niet zoals mensen. Terwijl je niets anders dan dat voorgeschoteld kreeg in de Griekse beeldende kunst en literatuur van die tijd en de daarop volgende eeuwen. Echte dwarsliggers, die presocratici.

Xenophanes, in zijn poëzie, doet trouwens ook wel aan deze beeldvorming mee, als hij ons het volgende tafereel voorschotelt,

schrijvende over de filosoof die de zielsverhuizing in zijn leer had - waarbij zielen duizenden jaren rondzwerven van lichaam naar lichaam, totdat zij, even, de lichaamloze zuiverheid verwerven - Pythagoras:

Ooit passeerde hij eens, toen men een hond aan het slaan was, zo vertellen ze, en hij kreeg medelijden en deed de volgende uitspraak: "Hou op, sla hem niet, want, voorwaar, het is de ziel van een vriend, die ik herkend heb nu ik hem hoor roepen".

Niet het voorstellen van een god als een mens, maar een gedaanteverwisseling is het wel. Natuurlijk, het gaat over een ziel, we mogen die niet identificeren met een mens. Maar een vriend is toch een mens? Misschien had Xenophanes Pythagoras 'niet helemaal begrepen', maar het lijkt er eerder op dat hij een beetje lacht met dit verhaaltje.

Je zou kunnen zeggen dat filosofie en religie elkaar ook raken in de mythe, waar men het onbegrijpelijke tracht te begrijpen door zich te verbeelden hoe het zou kunnen zijn. Dieren, ook levende wezens zoals wij, met ons verwant dus, spelen logischerwijze hun rol. Bij Aristophanes, een vroege voorloper van Denis Rionnet (:-), zelfs dé hoofdrol. Megalomaan en belerend in ware mensenstijl, met allerlei vogelallusies, 0.a. naar het 'orfische ei', vertelt het ras der Vogels zijn scheppingsverhaal (als paralleltekst las ik het scheppingsverhaal van de Bijbel erbij, zoiets kun je niet laten liggen):


Eerst was er Chaos en Nacht en zwarte Erebos en wijde Tartaros; er was nog geen aarde of lucht of hemel; in de onmetelijke schoot van Erebos verwekte de zwartvleugelige nacht het eerste onbevruchte ei, waaruit na verloop van tijd de zeer geliefde Eros ontsproot, de rug glanzend door twee gouden vleugels, gelijkend op snelle wervelwinden. Deze, in gemeenschap met de gevleugelde Chaos, broedde bij nacht diep in de wijde Tartaros onze soort uit en bracht ons het eerst naar boven naar het licht. Eerder bestond het geslacht van de onsterfelijken niet, voordat Eros alles verenigd had. Maar toen het één met het ander verenigd werd ontstonden de hemel en de oceaan en de aarde en het onvergankelijk geslacht van alle gelukzalige goden. Zo zijn wij verreweg de oudsten van alle gelukzaligen, ja wij. (Aristophanes, De Vogels, 693-703)

Als er dan nog tijd over was lazen we het scheppingsverhaal van de Haida-indianen uit West-Canada. Het maakt de cirkel van dit bericht min of meer rond: de Raaf die licht brengt in de oer-duisternis en zich ontfermt over de weerloze mensjes die hij in een grote schelp aantreft.

The Raven and the First Men door Bill Reid, 1980
.

zondag 26 oktober 2008

Timeo Danaos et dona ferentes...



En de juiste toedracht van de marathonloop is blijkbaar ook in een parallax te ontdekken :-)

zaterdag 18 oktober 2008

American Latin trends

Volgens één maatschappijanalyse (van de vele) gaan tijdens een hoogconjunctuur de vrouwenrokken naar omhoog , tijdens een laagconjunctuur naar omlaag. Zo klom in de woelige sixties de rok tot aan het zitvlak, in de oliecrisis-seventies droeg men de maxirok, tot aan de enkels. Te nemen voor wat het waard is.

Maar kijk, wat lees ik in de New York Times?
The study of Latin and Greek, with illuminations on morality, philosophy, mob rule and chariot races, reached a nadir in the greedy ‘80s and ‘90s, when it seemed irrelevant for kids who yearned to be investment bankers and high-tech millionaires. But now we’ve learned the hard way that greed is bad — avaritia mala est — and the classics have staged a comeback. Amo Latinam, so I was happy to see last week’s Times story about the soaring enrollment for Latin classes in New York.

Latijn als een graadmeter voor conjunctuur, dat is de conclusie van Maureen Dowd in dit artikel van 11 oktober (hat tip Michel Berger). Het is de moeite om er eens naar te gaan kijken, want Dowd laat het niet bij haar beschouwingen over de huidige financiële crisis, de race McCain/Obama en de terugkeer naar het stoïcisme. Zij breit er nog een hilarisch 'Latijns' stuk aan vast, waarvoor, behalve kennis van Latijn, ook enige vertrouwdheid met Shakespeare en Amerikaanse uitdrukkingen de lezer van pas komen. (Een schitterende satirische vondst vind ik de barracuda borealis, alias Sarah Palin :-)

Het NYT-artikel waar Dowd naar verwijst is van 6 oktober, getiteld 'A Dead Language That’s Very Much Alive'. De New York Times besteedde al in 1990 aandacht aan een dergelijke - grote - opleving van het onderwijs in het Latijn*, toen men zelfs in de basisschool Latijn onderwees en er een tekort aan leraren was (wat dat betreft slaat Dowd, meegesleept in haar retorische ijver voor de goede zaak, dus de plank mis).
--------------
* (Zie ivm. de inspanningen om het Latijn in de USA voor het onderwijs te behouden ook mijn artikel uit 1997, over de Standards for Classical Language Learning).
.

zaterdag 4 oktober 2008

Het vrije Germania

Iedere week beantwoordt een redacteur in de wetenschapsbijlage van De Standaard een vraag van een lezer. Deze week ging het over de Romeinse heirbanen (2/10). Hoe die Romeinen ze zo kaarsrecht konden krijgen. Tijdens het informatieve gekeuvel viel me een zinnetje op dat me in mijn kleine Pauly* deed duiken. Wat schreef redactrice Kim De Rijck namelijk:

"Zo liep er een Romeinse weg van Boulogne, destijds een belangrijke havenstad, over Bavay en Tongeren naar Keulen, dicht bij het front met het vrije Germania."
Front? Waar de vrije Germanen in stellingen lagen tegenover de oprukkende Romeinen? Het doet wat modern en statisch aan en lijkt helemaal niet op het ratten-en-ravenspelletje tussen Romeinen en Germanen. Het vrije Germania heeft dan weer de klank van een ongerept volk dat zijn vrijheid moet verdedigen tegen een brute wereldmacht. Misschien niet zo bedoeld, maar het deed nadenken. De vraag is: als die 'vrije' Germanen het 'oorspronkelijke' grondgebied van de Romeinen, Italië, proberen te veroveren, spreken we dan over het 'front met de vrije Romeinen'? Het is die Germanen uiteindelijk ook gelukt, maar dan heetten ze alweer Goten.

De honderden kilometers lange grenslijn die de Romeinen beschouwden als het einde van hun territorium en het begin van het Germaans gebied, de limes, was inderdaad bezaaid met fortificaties van het Romeinse leger, maar die dienden vooral om de Germanen buiten te houden. Wat geregeld niet lukte. Dan was een stuk limes dus af en toe een front. Keizer Marcus Aurelius o.a. heeft jarenlang tegen binnenvallende Germanen moeten vechten (die openingsscène in de film Gladiator geeft er een magistrale impressie van). Het oorlogs- en veroveringsspelletje werd in Europa en daarbuiten door iedereen gespeeld. De Romeinen zijn er een paar eeuwen behoorlijk goed in geweest.

De Pauly, monument van deutsche Gründlichkeit, had uiteraard aardig wat referenties i.v.m. de limes en Germania.
Der Name ist den Römern durch die Gallier bekanntgeworden, die damit ihre ö. Nachbarn bezeichneten, wobei der Name eines Einzelstammes**(der G. cisrhenani) auf das Gesamtvolk übertragen wurde (Tac.Germ.2). (-) Die G. selbst haben diesen gemeinsamen, sie zu einer Nation zusammenschliessenden Namen niemals gebraucht, und wie sie sich zwar als verwandt, jedoch nicht als Einheit empfunden haben, so ist auch ihre Gesch. nicht die des Gesamtvolkes, sondern ihrer einzelnen Völkerschaften.
En (even) tot mijn verrassing vond ik ook dit:
...die Gebiete zwischen der Reichsgrenze und dem Freien Germanien, das Limesvorland, lagen im Einflussbereich röm. Grenzpolitik, (-). Das Land bis zur Elbe blieb durch die Niederlage des Varus davor bewahrt, in die pax Romana einbezogen zu werden, die dort ansässigen Stämme konnten als freie Germanen sich weiter untereinander befehden.
Gesamtvolk, Völkerschaften (later weer Stämme genoemd): hoe Duitser kun je het formuleren :-) ? Maar DS-redactrice Kim De Rijck heeft hier wel een autoriteit achter zich met een Vrij Germanië. Autoriteit wat betreft de feiten, zeker, maar in het voorafgaand artikel, Germani, suggereert hij dat dit een onjuiste benaming is, omdat zoiets als een vrij Germanië op dat moment gewoon niet bestond in de gedachten van de Germanen: het is m.i., om bij het Duits te blijven, een moderne Hineininterpretierung. Ik kan zeker de ironie in zijn laatst geciteerde zin waarderen, waar hij het heeft over de Germaanse volksstammen die in alle vrijheid hun vetes met elkaar kunnen blijven uitvechten, omdat ze gespaard gebleven zijn van de pax Romana (waarover Tacitus de Britse leider Calgacus laat zeggen: "ubi solitudinem faciunt, pacem appellant", m.a.w. 'waar zij [= de Romeinen] een woestenij maken noemen ze dat vrede'.)

---------------------------
* Der Kleine Pauly - Lexikon der Antike in fünf Bänden - een zeer gecondenseerde pocketuitgave van de machtige Realenzyklopädie der klassischen Altertumswissenschaft
** Ook de Grieken, die zichzelf Hellenen noemen, zijn op die manier aan hun naam gekomen: de eerste volksstam die de Romeinen aan de kust van de Peloponnesus tegen kwamen heette (in het Latijn) Graeci.

---------------------------
- De Romeinen hebben de naam via de Galliërs leren kennen, die hun oosterburen zo noemden, waardoor de naam van één enkele stam (die van de Germani cisrhenani) op het hele volk van toepassing werd. (-) De Germanen zelf hebben deze gemeenschappelijke, hen tot één natie groeperende naam nooit gebruikt en terwijl zij zich weliswaar verwant, maar niet één gevoeld hebben, zo is ook hun geschiedenis er niet een van één-volk-één-natie, maar van haar afzonderlijke volksstammen.
- ...de gebieden tussen de rijksgrens en het Vrije Germanië, het land gelegen vóór de limes, lagen binnen het invloedsbereik van de Romeinse grenspolitiek. (-) Het gebied tot aan de Elbe bleef door de nederlaag van Varus ervan gevrijwaard om deelachtig te worden aan de pax Romana, de daar gevestigde stammen konden zich als vrije Germanen blijven bezig houden met onderlinge vetes.

zaterdag 27 september 2008

The Classics corridor


Het is algemeen bekend dat de serie jeugdboeken rond Harry Potter al even gretig gelezen wordt door 'volwassenen'. Ik ben daar één van. Geestig, fantasierijk, intelligent geschreven, vol interessante ideeën, echte avonturenverhalen met raak getypeerde personages met namen die al even raak gekozen zijn (ik heb het niet over de zouteloze 'verhollandste' namen in de Nederlandse uitgave) en, om de laudatio af te ronden, met een arsenaal Latijnse toverspreuken.

Dat was even een verrassing in dat eerste boek, die potjeslatijnse toverspreuken, die inderdaad de uitwerking hadden die de namen suggereerden. Het bleek al snel dat de schrijfster, J.K. Rowling, klassieken gestudeerd had. Het verhaal van haar daarop volgende carrière is bekend. Niet als classicus, maar als schrijfster is zij schatrijk geworden, wat mij betreft verdiend. Al was het alleen maar voor het - op een onverwachte, maar aantrekkelijke manier - levendig houden van onze culturele roots.

Met een terugkeer naar de universiteit heeft zij misschien nu ook academische erkenning gekregen, want het was niet de minste universiteit: Harvard. Daar heeft zij in juni de jaarlijkse commencement-speech gehouden. Waarin ze o.a. kort, maar voor iedereen die van de klassieken houdt hartverwarmend, haar relatie tot the Classics bespreekt.

Na haar middelbare school wilden haar ouders dat zij iets anders zou gaan studeren dan zij zelf wilde, en:
(*)
A compromise was reached that in retrospect satisfied nobody, and I went up to study Modern Languages. Hardly had my parents’ car rounded the corner at the end of the road than I ditched German and scuttled off down the Classics corridor.
I cannot remember telling my parents that I was studying Classics; they might well have found out for the first time on graduation day. Of all subjects on this planet, I think they would have been hard put to name one less useful than Greek mythology when it came to securing the keys to an executive bathroom.

(-)
One of the many things I learned at the end of that Classics corridor down which I ventured at the age of 18, in search of something I could not then define, was this, written by the Greek author Plutarch: What we achieve inwardly will change outer reality.
That is an astonishing statement and yet proven a thousand times every day of our lives. It expresses, in part, our inescapable connection with the outside world, the fact that we touch other people’s lives simply by existing.


En de wijze les die ze de afstuderende studenten meegeeft komt uit dat bodemloze vat vol kant-en-klare citaten, Seneca:
And tomorrow, I hope that even if you remember not a single word of mine, you remember those of Seneca, another of those old Romans I met when I fled down the Classics corridor, in retreat from career ladders, in search of ancient wisdom:
As is a tale, so is life: not how long it is, but how good it is, is what matters.
Kun je je een betere ambassadeur kiezen voor de promotie van de studie van de klassieken?

----------------------------
*
- Het compromis dat we sloten bevredigde achteraf bekeken niemand en ik ging me inschrijven voor een studie Moderne Talen. Nauwelijks was de auto van mijn ouders de hoek omgereden of ik liet het Duits vallen en schoot de gang van de Klassieken in. Ik kan me niet herinneren dat ik mijn ouders verteld heb dat ik Klassieken studeerde; het zou best kunnen dat ze dat pas voor het eerst hoorden op de proclamatie van het laatste jaar. En ik denk dat zij het heel moeilijk gehad zouden hebben om onder alle keuzevakken op deze planeet er één op te noemen dat nuttelozer is dan Griekse Mythologie als het erop aan komt de toegang tot de toiletruimte van een topmanager te verwerven.
- Een van de vele dingen die ik leerde op het einde van die Klassiekengang waarin ik mij waagde op mijn achttiende, op zoek naar iets dat ik toen nog niet kon benoemen, was deze uitspraak van de Griekse schrijver Plutarchus: wat wij innerlijk bereiken zal de werkelijkheid buiten ons veranderen.
Dat is een verbazingwekkende uitspraak en komt toch iedere dag van ons leven duizend keer uit. Hij omschrijft, gedeeltelijk, onze onontkoombare connectie met de wereld buiten ons, het feit dat wij het leven van andere mensen beroeren, eenvoudigweg door te bestaan.
- En ik hoop dat jullie morgen, ook al herinneren jullie je geen enkel woord meer dat ik gezegd heb, je nog de woorden van Seneca herinneren, nog zo'n oude Romein die ik tegenkwam toen ik de Klassiekengang invluchtte, weg van een carrièreloopbaan, op zoek naar antieke wijsheid:
het leven is als een verhaaltje - van belang is niet hoe lang het is, maar hoe goed het is.
.

maandag 1 september 2008

Nieuw op de CyCadewebsite
Livius' Menenius Agrippa


Afl. 7
Een boek over artificiële intelligentie, Marvin Minsky's The Society of Mind, deed me al wat jaren geleden denken aan een passage in Livius, waarin een Romein door het vertellen van een 'fabeltje', over de Maag en de Ledematen, de opstandige plebejers weer in het - patricische - gareel krijgt.

Het simpele vertelseltje bleek, na het uitpluizen van wat vakliteratuur, helemaal niet zo simpel te zijn. Het had te maken met literatuur, retorica, de oude Grieken, filosofie, geschiedschrijving... Een Duitse geleerde formuleerde het zo: "Wie ein erratischer Block liegt die weltberühmte Fabel des Menenius Agrippa mitten auf dem Felde altrömischer Geschichte" (als een zwerfkei ligt de wereldberoemde fabel van Menenius Agrippa midden op het veld van de oudromeinse geschiedenis). En het boek van Minsky vertoonde frappante overeenkomsten met wat in de fabel de elementen van een 5e-eeuwse Griekse ὁμόνοια-discussie bleken te zijn. Wat had Minsky ertoe aangezet het complexe begrip 'mind' en 'intelligence' te omschrijven met dezelfde simpele elementen als die in het fabeltje?

Het onderwerp begon me zo te boeien dat het is uitgedraaid op een artikel. Met de obligate bibliografie en voetnoten, want als je a zegt moet je ook b zeggen. Of het nog leesbaar is laat ik aan uw oordeel over ;-)

De speech van Menenius Agrippa (Livius, AUC II, 32, 8-12).

donderdag 28 augustus 2008

Bill Clinton en de Aristotelische theorie van de retorica


Naast de schitterende website van prof. Marc Huys*, Greek Grammar on the Web*, staat al enkele jaren zijn artikel* over de speech van Bill Clinton in de Lewinsky-affaire op het net. Ik heb er nu pas een link naar gelegd op mijn website (onder 'Taal en tekst'), maar had het al veel eerder moeten doen, want dit artikel heeft mij een aantal creatieve lessen opgeleverd in mijn zesde jaar Grieks.

Het artikel analyseert de speech met criteria uit de Rhetorica van Aristoteles*, zonder daarom te willen suggereren dat Clinton en zijn spindoctors deze als leidraad gebruikt zouden hebben. Huys: Aristoteles wilde "een kritisch instrument aanreiken om alle mogelijke overtuigende boodschappen door te lichten. En bovenstaande analyse illustreert levendig de blijvende en universele toepasselijkheid van dit instrument." En: "We zullen niet zo ver gaan te beweren dat de geanalyseerde toepraak van de Amerikaanse president een historisch staaltje van briljante retoriek was. Maar de speech was wel voldoende overtuigend om, op een absoluut dieptepunt van Clintons carrière, het noodzakelijke vertrouwen van de meerderheid van de Amerikanen te behouden." Huys is erin geslaagd de Aristotelische mechanismen in deze speech op een overtuigende manier bloot te leggen.

Het artikel van Huys is eigenlijk te 'moeilijk' voor een zesde jaar Grieks. Toch is een leerling van mij erin geslaagd (het was een soort uitdaging) als eindwerk dit te verwerken in een paar lessen: hij zette, na een korte uitleg over de Lewinsky-affaire, zijn medeleerlingen aan het werk met de speech van Clinton. Zij moesten zo concreet mogelijk formuleren wat zij de overtuigende en zwakke kanten van de speech vonden. Na hen er zo actief bij betrokken te hebben zette hij summier de Aristotelische elementen uit de speech op een rijtje, daarbij telkens inspelend op de opmerkingen van de klas. Het was een creatief en enthousiast leermoment. Hij is toch niet aan een leraarscarrière begonnen.

------------
* Marc Huys is in 2010 overleden en zijn site is door Universiteit Leuven van het web gehaald.
.

donderdag 21 augustus 2008

Olympische beloning


Het blijft ongelooflijk dat iedere vier jaar (periodos) met een sportwedstrijd de aandacht gevestigd wordt op een van de stamlanden van onze Westerse cultuur. De hele wereld kent de oude Grieken. Nu, dank zij internet, kun je ook aardig precieze gegevens over de oude Olympische Spelen met een klik op je scherm halen, in drie talen: Nederlands, Engels en Chinees (en een beperkt aantal bladzijden in het Arabisch).

De moderne Spelen zelf op een televisiescherm bekijken doe ik niet graag, je staat er te dicht met je neus op. De camera toont lichaamsdelen in close-up, de been- of armspieren van een atleet, of zoals bij een pianist, de groteske vertrekkingen van de gezichtsspieren: het geeft je een voyeuristisch gevoel.
Voor de sporters is het natuurlijk een unieke kans om zich te meten met anderen. De belevenis en de herinnering aan het gebeuren maakt het voor henzelf de moeite waard. Eén keer heb ik die sfeer meegemaakt op een landelijke jongerencompetitie, waar ik voor mijn school mocht gaan speerwerpen. De voldoening die speer met een mooi zwiepend staartje de lucht in te krijgen en hem dan in een goede hoek in de grond te zien boren duurde eventjes, waarna het wachten was op de uitslag en daarna zwierf je nog wat rond op het terrein tot de bus je naar huis bracht.

Een triviale vergelijking? Ik denk het niet. Toch niet wat de atleten betreft. Er is uiteraard verschil: héél véél geld gaat er om en dat gaat niet over sport. Plus het opgeklopte en gemediatiseerde chauvinisme, waardoor gevoelens van triomf en teleurstelling bij de atleten ook olympische proporties aannemen.

Maar mutatis mutandis was dat in die oude tijd ook zo. Winnaars kregen prijzen, en van hun stad bijv. levenslange voordelen. Uitgerekend Afganistan riep gisteren nog een reminiscentie op aan die aloude gunsten van de vaderstad: landgenoot Rohullah Nikpai won brons bij het taekwondo, waarna hij telefoon kreeg van president Hamid Karzai met felicitaties en de belofte van de regering om hem een huis te schenken. Een telefoonmaatschappij zal bovendien een mooie som geld overschrijven op zijn rekening.
.

vrijdag 11 juli 2008

Lupa capitolina


Gisteren had de BBC het bericht, vandaag De Standaard. De Wolvin met Romulus en Remus, tentoongesteld in de Capitolijnse musea en beschouwd als symbool van Rome, is helemaal niet van Etruskische makelij, en zelfs niet antiek.

Toch waren de Romeinen er vast van overtuigd geweest dat hun wolvin dezelfde was als die van Cicero (De Divinatione, 1.20): Hic silvestris erat Romani nominis altrix, Martia, quae parvos Mavortis semine natos uberibus gravidis vitali rore rigabat; quae tum cum pueris flammato fulminis ictu concidit atque avolsa pedum vestigia liquit (m.a.w. ze is door een blikseminslag van haar voetstuk gevallen en bij het losscheuren liet ze sporen achter van haar voeten). Bij Richardson valt hierover te lezen: ...though the Capitoline Wolf seems more likely to be the wolf mentioned by Cicero (Cicero Cat. 3.19, Cicero Div. 1.20, Cicero Div. 2.47) as having been in Capitolio and struck by lightning in 65 B.C., because there are traces of such damage. Eén van de achterpoten van de Capitolijnse wolvin is inderdaad beschadigd.

In een artikel, al van 17 november 2006 (kort daarna vermeld in Discovery Channel), verklaart Adriano La Regina, hoogleraar in de etruscologie, : "Ora ci viene dimostrato, con argomenti inoppugnabili, che neanche la Lupa è antica. Per caratteristiche tecniche essa si inserisce infatti coerentemente nella classe della grande scultura bronzea d'epoca medievale, mentre per qualità formali può essere attribuita ad un periodo compreso tra l'età carolingia e quella propria dell'arte romanica." Het beeld zou dus te situeren zijn tussen de karolingische en de romaanse kunst. Van de twee peuters werd al langer aangenomen dat zij een latere toevoeging waren, gezien het grote stijlverschil met de wolvin. La Regina: "È invece noto da tempo che i gemelli sono stati aggiunti nel 1471 o poco dopo quando il bronzo, donato da Sisto IV alla città di Roma, fu trasferito dal Laterano sul Campidoglio." Dus in 1471 of een beetje later.

Restauratrice Anna Maria Carruba had er al op gewezen dat de Wolvin in één stuk gegoten was volgens de cire-perduemethode, een techniek gebruikt sinds begin 13e eeuw (en ze wijt de beschadigde poot aan een foutje bij het gieten). De antieken maakten bronzen beelden met aaneengelaste stukken. Een voorpagina-artikel (9 juli jl.) van La Regina in La Repubblica bevestigt nog eens de datering, nu met wetenschappelijke experimenten: "una serie di analisi (radiocarbonio, termoluminescenza)" en "le ultime (nl. analyses), ripetute una ventina di volte l' anno scorso, offrono un' indicazione molto puntuale nell' ambito del XIII secolo" ('de laatste, een twintigtal keer herhaald in het afgelopen jaar, leveren een veel preciezere aanwijzing voor een datering binnen de 13e eeuw').

Niet om moeilijk te doen, maar omdat de berichtgeving in De Standaard aardig wat afwijkt van die van de BBC - berichten die ik het eerst had gelezen - heb ik teruggegrepen naar de oorspronkelijke Italiaanse artikels. De BBC levert een perfecte samenvatting van het artikel van La Regina. Redactrice Inge Schelstraete van De Standaard helaas...
- "Het was eigenlijk te verwachten, toen vorig jaar bekend gemaakt werd dat de bekende beeldjes van Romulus en Remus onder de Capitolijnse wolvin dateerden uit de veertiende eeuw."
- "Onder meer koolstofdatering geeft Carruba gelijk: het beeld dateert uit de veertiende eeuw."
-
"Een beetje kunsthistoricus had moeten zien dat het onmogelijk Etruskisch kon zijn."
- "Maar het nieuws dat de Capitolijnse wolvin 1.800 jaar jonger is dan gedacht, ..."
- Subkop: "De Capitolijnse wolvin is een welp: in plaats van 2.500 jaar, is ze 'amper' 700 jaar oud."
Het klinkt niet vriendelijk, maar als lezer van een vaste krant verwacht ik correcte berichtgeving: een beetje krantenjournalist had zijn jaartallen juist kunnen citeren.
(En haar internetlink die verwijst naar de Musei Capitolini is voor een 'check en double-check' controle compleet nutteloos.)
.