zaterdag 11 oktober 2014

In zeven dagen een pontonbrug


De website Port-of-Antwerp doet niet aan valse bescheidenheid. Wij lezen: de bouw van de Pontonbrug over de Schelde ter hoogte van het Steen is een technisch huzarenstukje.

Een liefkozend verkleinwoord voor zoiets knaps (Van Dale: 'kranige, stoutmoedige, geslaagde en snelle prestatie'). 370 meter lang en in maar zeven dagen tijd in elkaar gestoken. En na drie dagen weer afgebroken. Fijn voor de Benelux-krijgsmacht, dat ze vorige week nog eens wat praktijk te doen kregen en zich als makers konden profileren in plaats van kapotmakers. En fijn dat Antwerpen zich nog eens kon koesteren in wereldmedia-aandacht. Wie de brug-van-drie-dagen betaald heeft heb ik niet opgezocht. In deze tijden van overvloed zal het zeker niet met ons belastinggeld gebeurd zijn.

Het ding was voor de rest natuurlijk compleet nutteloos, tenzij als bron van ontspanning: koning Filip heeft duidelijk genoten van zijn rol in 'De Vlucht Over De Schelde'.



Maar pet af voor de vakbekwame pontonniers die in 1914 drie van dergelijke, wel nuttige, bruggen over de Schelde aanlegden. Honderd jaar techniek geleden konden zij dat blijkbaar ook al in 7 dagen. Alle details zijn terug te vinden in dit degelijke document.

Wat zouden ze bij Port-of-Antwerp zeggen over een dubbele pontonbrug van 3 kilometer lang die, alweer in 7 dagen, klaar was, 2494 jaar techniek geleden?

In het jaar 480 v.C. vatte de Perzische koning Xerxes het plan op Europa voor de tweede keer binnen te vallen (zo zegt Herodotos in het 7e boek van zijn Historiën) en Griekenland bij zijn rijk te voegen. De eerste poging stamde van zijn vader Darius, 10 jaar eerder. En bij twee invasies vanuit die hoek zou het niet blijven, zoals wij nu allemaal weten; gewoon 'Perzen' vervangen door 'Hunnen', 'Arabieren', of 'Turken'.

Xerxes zag het als een strafexpeditie tegen Athene, dat zijn vader, Darius, beledigd had. Voor de Grieken was dit de oosterse mentaliteit in een notendop. De Perzische koning had onderdanen, in de letterlijke betekenis van het woord, die volgzaam moesten doen wat hen gezegd werd, en Athene was ongehoorzaam geweest. De Grieken waren op dat moment doordrongen van het gelijkheidsbeginsel in hun kersverse democratie en keken met verachting neer op de Perzische slavenmentaliteit. Dat verschil in mentaliteit wordt nu algemeen naar voor geschoven als verklaring voor de overwinning van een handjevol Grieken op een gigantische Perzische tegenstander. Daar raken ze in Griekenland niet over uitgepraat, en met reden (vind Griekenland op het kaartje).



Maar ik ging het over een pontonbrug hebben.

Het gebruiken van pontonbruggen had Xerxes thuis geleerd. Vader Darius had er al eens een laten bouwen over de Bosporus om het rijk van de Scythen binnen te vallen. Die brug was prima in orde en hield het onder de doortocht van het Perzische leger, zowel heen als terug, d.w.z. terug van een kale reis. Dat laatste was voorspeld aan Darius, maar die had niet willen luisteren. In 480 kreeg Xerxes ook verschillende waarschuwingen en voortekenen dat zijn expeditie faliekant zou uitdraaien, en hij bleek een even grote stijfkop als zijn vader.

Darius had alleen een vloot gebruikt, maar Xerxes zag het groter, een vloot plus een landleger, en dus moest hij de zeestraat het dichtst bij Griekenland oversteken: de Dardanellen. Of, zoals die in de oudheid heette, de Hellespont. Toen Xerxes met zijn leger vanuit de hoofdstad Susa aan de Tigris vertrok had hij deze veldtocht al drie jaar voorbereid. Langs het hele traject waren opslagkampen met voorraden voor het leger aangelegd. Er was een kanaal gegraven doorheen de landengte bij de berg Athos, zodat de vloot, veilig voor de gevreesde egeïsche stormen en stromingen, Griekenland gemakkelijker kon bereiken. En de pontonbrug over de Hellespont was af.

En dan ineens niet meer. Gewoon een stevige storm, en weg was de brug. Een duidelijk voorteken, maar Xerxes was ziende blind. Zijn reactie op deze tegenslag lijkt als twee druppels water op gedrag dat ook nu weer in die contreien in opmars is, en kan in drie woorden samengevat worden: onthoofding, zweepslagen, dreigementen. Respectievelijk (van) de architecten van de brug, (voor) het water van de Hellespont en (aan het adres van) de plaatselijke zeegoden. Na deze adequate maatregelen gaf hij het bevel tot de bouw van een nieuwe brug.

De nieuwe brug bestond uit twee parallelle pontonbruggen. Herodotos geeft een uitgebreidere beschrijving van de bouw in hoofdstuk 36 e.v.

De schepen van de parallelle bruggen lagen met hun voorstevens naar buiten gericht, om zo de sterke stromingen vanuit de Egeïsche Zee en de Zwarte Zee op te vangen. (In Antwerpen hebben ze dat om en om gedaan in de enkele brug.) Interessant is het gebruik van kabels over de gehele lengte van de brug, wat een historicus doet concluderen dat het hier eigenlijk een hangbrug betrof. (Om de sterke stroom te weerstaan werden de pontons onderling verbonden met kabels. Deze kabels kregen daarmee dezelfde functie als de draagkabels bij een hangbrug. H. de Jong, 'Over bruggen', 1983). De koning had voor dit doel gespecialiseerde kabelvlechters in dienst. Feniciërs maakten kabels van vlas, en Egyptenaren van, jawel, papyrus. En deze keer werd ieder van de 700 boten voorzien van zware ankers tot op de bodem van de Hellespont.

Een beroemde passage uit dit boek wil ik u niet onthouden. Voordat Xerxes met zijn leger de Hellespont overtrekt, wil hij nog eens al zijn troepen schouwen. Gezeten op een heuvel op een witte troon, voor die gelegenheid door de plaatselijke bevolking op voorhand in gereedheid gebracht, ziet hij aan de kust heel zijn vloot liggen, en aan land het hele leger opgesteld. We spreken over 1.700.000 infanteristen, 80.000 ruiters, 1.207 dieren, en 3.000 vrachtschepen (bron).
Xerxes is opgetogen over het schouwspel maar barst daarna in tranen uit. Gevraagd naar de oorzaak van zijn verdriet verklaart hij: 'Ineens kwam de gedachte bij mij op hoe spijtig kort een mensenleven is, beseffend dat van heel deze massa mensen er over honderd jaar niemand meer in leven zal zijn'.

En dan trekt die troepenmacht met succes de Hellespont over, met de gekende afloop. De pontonbruggen laten zij zo liggen. Maar wanneer het terugtrekkende leger opnieuw aankomt bij de Hellespont is het alweer prijs: stormen hebben een groot deel ervan verwoest.

Hier zou ik kunnen stoppen.

Maar ik wil nog even iemand van de eerste grote bruggenbouwers in Europa aan het woord laten. De Romein Iulius Caesar.

Tijdens zijn veldtocht in Gallië, in het vierde oorlogsjaar, beslist hij de Germaanse stam van de Ubii te gaan helpen, aan de overkant van de Rijn. Hoe gaat hij zijn legioenen daar krijgen? De Ubiërs zeggen dat zij boten in overvloed hebben. Wat is Caesars repliek?

Caesar his de causis quas commemoravi Rhenum transire decreverat; sed navibus transire neque satis tutum esse arbitrabatur neque suae neque populi Romani dignitatis esse statuebat. Itaque, etsi summa difficultas faciendi pontis proponebatur propter latitudinem, rapiditatem altitudinemque fluminis, tamen id sibi contendendum aut aliter non traducendum exercitum existimabat.(D.B.G. IV, 17).
(Om al deze redenen had Caesar besloten over den Rijn te gaan; maar den overgang op schepen hield hij niet voor veilig genoeg en beneden zijn waardigheid en die van het Romeinsche volk. Ofschoon men hem het bouwen van een brug wegens de breedte, den snellen stroom en de diepte der rivier als met de grootste moeilijkheden verbonden voorstelde, meende hij echter daarbij te moeten volharden, of anders niet over te steken. vert. Van Doesburg)

Een Romein bouwt een Brug. Schepen gebruiken is beneden zijn waardigheid.
De (houten) brug was klaar in...10 dagen.


woensdag 27 augustus 2014

Cultuurgeografie


En helaas beschouwen veel Israëli’s hun land nog altijd als een bedreigd Athene, in plaats van een hedendaags Sparta.
Zoeken in de context rond deze uitspraak van een Chams Eddine Zaougui levert geen verdere verklaring op voor de duidelijk exemplarisch bedoelde vermelding van Athene en Sparta. Welk exempel precies?
Er is geen aanloop naar de vergelijking, geen verwerking ervan in de volgende regels... Gewoon pats boem Athene en Sparta. Een beetje cultureel doen, wat weet de lezer daar nou immers over. Als het maar denigrerend overkomt. Daar zorgt het trefzeker geplaatste 'helaas' wel voor.

zaterdag 23 augustus 2014

Imperium Romanum


Iedere school heeft zo zijn verhalen over ietwat karikaturale leraren die er een generatie eerder de klassen vermaakten of terroriseerden. Verhalen die langzamerhand tot een urban legend evolueren. Op mijn school was dat (o.a.) de lerares die ieder jaar op 15 maart compleet in het zwart gekleed de klas binnenkwam. Dit om haar leerlingen in te prenten dat op de Iden van maart Iulius Caesar vermoord was. Hun lerares Latiin.

Met die moord kwam een einde aan de feitelijke alleenheerschappij van de dictator en ontstond er een machtsvacuüm totdat Octavianus, de latere Augustus, onder de titel van princeps de eerste keizer van Rome werd. Of, zoals Tacitus het in het weergaloze eerste hoofdstuk van zijn Annales formuleert: Augustum ..., qui cuncta discordiis civilibus fessa nomine principis sub imperium accepit.

Nu ben ik niet zo alert voor datums en jaartallen, maar deze had ik eigenlijk niet mogen missen: 19 augustus 2014, vier dagen geleden. Opnieuw een Amerikaan, Timothy B. Lee, die er mij attent op maakte. Op zijn blog van 19 augustus is niet te zien of hij zich voor de gelegenheid in het zwart gestoken had, maar het zou hem niet misstaan hebben: Caesar Augustus died 2000 years ago.

En juist deze maand vind ik nog allerlei andere berichten over het Romeinse keizerrijk, gestoffeerd met mooie plaatjes en kaarten. Dezelfde Timothy B. Lee heeft nog maar pas een 40 Maps that explain the Roman Empire uit, een echte historische atlas waar ik in mijn klas volop gebruik van had kunnen maken. Hij is wel wat slordig in de volgorde van de kaartjes: hij springt voortdurend heen en terug in de tijd. Ik kende het 40 Maps that explain the Middle East van dezelfde website Vox al, mét netjes oplopende chronologie, en ook daar is aardig wat werk in gekropen.

Een ronduit indrukwekkende site is Digital Atlas of the Roman Empire (2013), waar ik bij uitvergroting bijv. bij Destelbergen ben uitgekomen ;-) En Gent, en Waasmunster. Het is een kaart waar men tot nu toe bekende plaatsen uit de 'Latin tradition', vermeld in oude geschriften, op mijlstenen, etc., kan terugvinden, en het werk is nog niet af (een lijst van vindplaatsen hier). Een titanenwerk moet dat geweest zijn. Het is even zoeken hoe je erin moet navigeren, en de gezochte plaats moet netjes met een hoofdletter getikt worden :-)

Zo, nu weet u tenminste waar u zich mee bezig kan houden op die lange koude winteravonden bij het haardvuur.

dinsdag 19 augustus 2014

...de speer stak in de lies, de ziel ontvluchtte ’t lijk (Homeros revisited)


Vrijblijvend rondsurfend stootte ik op een recente blogpost over Homeros' Ilias en Odyssee. Ik ben meer een Odysseelezer, maar het heeft me altijd verrast dat ik zelfs het spierballengerol en het macho haantjesgedrag in de Ilias kon pruimen, inclusief de grafische anatomische details. Ik heb er een uitleg voor, maar wil liever Christine D'haen hierover aan het woord laten:

Lezen en zijn

Hij stortte in ’t stof voorover, ’t bot brak middendoor,
de arm gerukt van ’t lichaam viel hij rugwaarts neer,
het hoofd hing nog aan huid, het bloedwarm blad der speer
zijn daglicht dovend drong diep hem onder het oor.

Zijn hoofd in twee gespleten, ogen vol met bloed,
viel hij languit ter aarde, nacht op hem. Een steen
spleet hem de slapen, de ogen botsten voor zijn voet.
Het paard hoefklauwend schreeuwde ’t uit, zijn geest vlood heen.

De helm, nog nooit gehavend, smeet eensklaps de god
van ’t hoofd hem, paardehaar en veren in het slijk,
de speer stak in de lies, de ziel ontvluchtte ’t lijk.

Van hiel tot enkel borend, bond de riem aan ’t rad
zijn voet, spreidde mooi donker haar modderbespat.
Lezen is heerlijk, leven zelf een vreselijk lot.
*

Een gebalde compilatie van ridderlijke wederwaardigheden op het slagveld van de Ilias, volgehouden tot de volta in de laatste regel. Schitterend sonnet.

De blogpost van Lauren Jenkinson is van het lichtere genre, het betreft een 'infographic', een strip over de Ilias en Odyssee, door haarzelf getekend met allerlei analyses en commentaar, bestemd voor haar leerlingen. Want ze is full-time leraar. Op haar home page vind je nog meer, o.a. een reeks over Herakles (waar haalt ze de tijd?).

Hiernaast zie je de stijl: de drie 'top-gruwelijkste' voorbeelden van dood op het slagveld. Griezelen, spannend! Zo houd je de kinderen bij de les ;-)
Maar dit beetje ironie wil toch niets afdoen aan de bewondering voor haar prestatie met de Ilias en Odyssee. Ga zelf eens kijken.

En hier kom ik toe aan een discussie over Homeros' anatomische kennis (en die van zijn tijdgenoten). Iemand heeft zich in het verleden bezig gehouden met, en gepubliceerd over, de bovenstaande beschrijvingen en alle andere bij Homeros van de impact van wapentuig op het menselijk lichaam. Die zouden behoorlijk accuraat zijn, wat natuurlijk niet meer dan logisch is: in die tijden van 'ridderlijke' oorlogvoering stond men lijf aan lijf te vechten en zag men alles onder zijn neus gebeuren. Nog geen kanonnen, raketten, drones in de aanbieding.

(Men heeft het nu te pas en te onpas over de 'cloud', dus ik ook. Mijn geheugen is zo'n cloud, daar zweeft van alles in rond, maar die publicatie waarvan hier boven sprake: niet te vinden. Ik geef het u zoals ik het mij herinner, zonder referentie; als iemand meer en/of beter weet, graag een commentaar.)

Hét bewijs dat de oude Grieken een grondige kennis van (de werking van) het lichaam hadden was, naar men beweerde, de passus in de Ilias (IV,491-493) waar een strijder getroffen wordt in de lies en op slag dood neervalt. Daar loopt een slagader, die, eenmaal overgesneden, massief bloedverlies en onmiddellijke dood veroorzaakt. Deze heet de arteria iliaca. De publicatie knoopte aan deze benaming een etymologische conclusie vast: de naamgeving zou teruggaan op deze passus in de Ilias.

Op deze wikipagina gaat men nader in op de etymologie van het os ilium. Men geraakt er niet echt uit, en verwijst op het laatst zowaar naar Ilium/Troje.

De ridderlijke sfeer van de Ilias, waar helden met elkaar de bloedige strijd aangaan voor hun eigen eer en die van hun makkers, laat de lezer even toe zich uit de realiteit terug te trekken in, om in de geest van Christine D'haen te spreken, de beschutting van het epos. 

Want we leven in grimmige tijden, met plassen bloed die via het scherm de huiskamer binnenstromen. Ons gratis doorgestuurd door de laffe godsdienstpsychopaten van het mohammedaanse Kalifaat. Echt bloed. En niet van andere helden.

---------------------------------------------------------------
* “Alle Dinge sind herrlich zu sehn, aber schrecklich zu seyn.” (Schopenhauer)

vrijdag 30 december 2011

Euforie roepen


"Het is nu te vroeg om euforie te gaan roepen", aldus minister (Begroting) Philippe Muyters vandaag in het radionieuws. 'Victorie kraaien' ligt misschien wat gevoelig voor een NVA-politicus?

zaterdag 10 december 2011

Het lapje grond


Als ik, in tijden van actief ouderschap, met de jonge kinderen ergens naar toe reed, was één ding gegarandeerd zeker: ik zong "poesje mauw" en van de achterbank kaatste onmiddellijk "kom eens gauw" terug.

Trigger-response.

Het onderwijs in een notendop. Ofte: cognitieve en affectieve vaardigheden in één herhalingsmoment, maar ik ben blij dat ik van dat houten vakjargon af ben. Het prachtige en wonderlijke instrument dat ons geheugen is werkt optimaal als ons gevoel erbij betrokken kan worden. Voor kinderen gaat dat nog met sneltreinvaart, volwassenen trekken al meer aan de rem, en spreken liever over 'interesse' als ze iets gemakkelijk kunnen onthouden. Maar het blijft gevoel natuurlijk. Zonder die spannende gulden sporen zou 1302 een karakterloos jaartal zijn.

Dus als leerlingen van de eerste graad middelbaar te horen krijgen dat de Romeinse machthebbers aan hun soldaten na de legerdienst een stuk land toebedeelden om in hun verdere levensonderhoud te voorzien, dan is dat duidelijke en heldere communicatie, die ze met al de andere zakelijke informatie prompt vergeten. Maar zeg je: "Iedere soldaat kreeg een lapje grond", dan heb je met dat ene woord het gevoel en de verbeelding opgewekt.

Het is (of was) jarenlang de geijkte uitdrukking in de geschiedenisleerboeken om de reïntegratie van de Romeinse veteranen te beschrijven. Wat we ons daarbij concreet moesten voorstellen was niet duidelijk. Je weet wat een lapje stof is. Niet groot. Een lapje grond om van te kunnen leven: is dat dan zoiets als mijn grootvaders moestuin achter het huis? Ik heb het nooit gevraagd, maar het klinkt niet groot genoeg. Wat spijtig voor die ouwe soldaat.

Blijkbaar waren die soldaten zelf ook niet content met de omvang van hun lapje. Bij Plutarchus (Leven van Crassus, 2,8) vinden we een uitspraak van Marius, die aan zijn veteranen vijfeneenhalve hectare land had toebedeeld en merkte dat zij daar niet tevreden mee waren: 'Geen Romein mag denken dat een stuk land, dat groot genoeg is om hem te onderhouden, te klein is voor hem.' Een uitspraak in de echte strenge Romeinse traditie. Maar ijzervreter Marius had zijn troepen wel behoorlijk afgebeuld, te zien aan de bijnaam die zijn soldaten hadden: 'muli Mariani', de muilezels van Marius. Zij vonden waarschijnlijk dat zij meer verdiend hadden.

Verdiensten, emerita, was trouwens het woord dat gebruikt werd als argument om soldaten van Augustus hun lapje toe te wijzen in Spanje. In 25 v.o.t. werd daartoe de stad Emerita Augusta gesticht, nu bekend als Mérida, hoofdstad van de autonome regio Extremadura.

Tacitus, rond 100 o.t., vermeldt een muiterij bij de Pannonische troepenmacht na de regeringswissel Augustus/Tiberius, waar een opruier een heel wat minder fraai beeld van de emerita neerzet (Ann.1,17): ' Tenslotte, toen ook al anderen zich bereid toonden de muiterij op gang te helpen, vroeg hij als in een troepenvergadering, waarom zij als slaven dansten naar het pijpen van een handvol centurio's en nog minder tribunen. Wanneer zouden zij het eens aandurven om genoegdoening te eisen als ze nu niet eens met verzoeken of wapens een nieuwe en nog ja-knikkende vorst aan zijn jasje trokken ? Ze hadden zich gedurende zoveel jaren al genoeg in de luren laten leggen uit lafhartigheid, dat zij nu als hoogbejaarden en merendeels met gewonde lichamen dertig of veertig dienstjaren wilden verdragen. En zelfs aan degenen die afzwaaiden werd geen einde aan de diensttijd gegund, maar die moesten, gelegerd bij het vaandel onder een andere naam zich dezelfde inspanningen getroosten. En als iemand in z'n leven al zoveel lotgevallen doorstond, dan werd hij tenslotte naar een uithoek van de aarde overgebracht om daar zompige moerasgrond of onontginbaar bergland als landbouwgrond toegewezen te krijgen'. Join the army.

Het toekennen van land aan soldaten na hun legerdienst (en vanaf Marius, 100 v.o.t., werd die een beroepsbezigheid) is een maatregel die tijdens heel de republiek en nog lang in het keizerrijk werd toegepast. Tegen het einde van de 2e eeuw was het land op het Italiaanse schiereiland grotendeels 'opgebruikt', maar in de veroverde gebieden was er nog ruimte genoeg. Die kolonisatie diende vooral ook de Romeinse strategische belangen. Een Romeinse aanwezigheid bij de overwonnen volkeren was in elk opzicht nuttig.

Sprekende over trigger en response: waarom een bericht over dit onderwerp?

20.000 km ver van hier kwam het Romeinse lapje grond zich als een automatische reflex in mijn hoofd opdringen, op het prachtige, quasi-ongerepte, Kangaroo Island in Australië, het terra nondum cognita van de renaissancekaarten, toen ik de gids hoorde vertellen over, jawel, afzwaaiende soldaten van W.O.I en W.O.II die hier grond gekregen hadden om te ontginnen, met alle faciliteiten die een overheid uit de mouw schudt als de ontsluiting van onontgonnen gebied op de agenda staat:
...in 1915 with the first of the acts of parliament designed to both repatriate and compensate returning servicemen, and to meet the political and economic need to 'sponsor' the development of intensively productive agriculture pursuits.
Dat kan als een land grond 'over' heeft. Ik heb niet nagezocht wat al die andere naties die toen meegevochten hebben voor hun soldaten gedaan hebben. De vraag is, wat zou Europa nu doen na een oorlog? Voor alle gevallen houden we best hout vast. Grond is er in ieder geval niet over.

maandag 21 maart 2011

Odyssey dawn

Beste lezers,
om direct duidelijk te zijn: ik heb een grondige afkeer van de benaming 'Odyssey dawn' voor de oorlogsoperatie tegen Libye. Daarmee wil ik geen oordeel uitspreken over de (on)juistheid van deze operatie, alleen vind ik dat deze titel niets zegt over de inhoud van het gebeuren. Het woord 'Odyssey' suggereert een cultureel westers begrip, het woord 'dawn' suggereert een pril ontstaan.
Dat beide gebruikt worden om een oorlogsagressie te benoemen stuit me tegen de borst, hoe gerechtvaardigd deze agressie voorlopig nog kan zijn.
Door omstandigheden heb ik een heel aantal weken geen tijd gehad om blogberichten te schrijven, maar zodra dat weer wel het geval is wil ik deze titel uitwerken in een, zoals dat heet, 'onderbouwd' bericht. Tot dan.

9/12/11
Er is wat te veel tijd tussen. We laten het zo :-)

zaterdag 29 januari 2011

Cultuurvernis


"Toch begint het schouwspel in de Wetstraat hoe langer hoe meer op een drama te lijken, met een conflict tussen de protagonisten in de prologos", schrijft Marjan Justaert vandaag in De Morgen, over de 'theatraliteit van de Wetstraat: eerder Commedia dell’arte dan Griekse tragedie'.
Vraag: hoeveel protagonisten telt een Griekse tragedie? Of: door hoeveel personages wordt de prologos uitgesproken? Of: worden in een prologos conflicten uitgespeeld?
Een klassiek getint commentaartje ligt tegenwoordig lekker in de media, maar wordt natuurlijk de spreekwoordelijke bananenschil voor slordige of weinig onderlegde schrijvers van krantenstukjes.
Blijkens hetzelfde artikel zou een zekere filmmaker Koen Mortier beter ook nog eens terug naar school gaan ("volgens hem dekt het Romeinse Commedia dell’arte beter de lading"), de oude Romeinen spraken namelijk geen Italiaans en welke Italianen voornoemd toneelgenre hebben uitgevonden is niet bekend. Deze zelfde Mortier verzucht over de Wetstraatpolitici: "de enige quotes zijn voor de gewone sterveling onverstaanbare Latijnse oneliners". Een citatenboekje, of even de krant lezen, gewone sterveling Mortier? Misschien heeft Marjan Justaert het soms wel eens bij het rechte eind.

maandag 24 januari 2011

Nieuw op de Cycadewebsite
Euripides' Elektra

Afl. 8
Euripides' Elektra is de laatste toevoeging aan mijn website. Het heeft wat voeten in de aarde gehad, of beter: zij, dwars karakter als ze is, zoals overigens de meeste van Euripides' vrouwen...

Dat deze tragedie de keuze was van uitgerekend prof. R. Van Pottelbergh ('de Pot') voor zijn licentiecollege 'Griekse toneelauteurs' in Gent lijkt nog altijd verwonderlijk. Klein, mager, zwart haar, geprononceerde neus met hitlersnorretje (je kon er niet naast kijken, de arme man leed aan een onbedwingbare zenuwtik waarbij hij zijn neus optrok en met zijn oog knipperde), donker pak - je kon je hem meteen voorstellen met de hoge witte kol van eind 19e eeuw - iemand, van wie je verwachtte een strenge Aeschylus voorgeschoteld te krijgen, en niet de flierefluiter Euripides. Diezelfde Pot leidde zijn college Menander in met een verontschuldiging aan de 'juffrouwen' onder de studenten dat er zo nu en dan wel minder fatsoenlijke taal zou opduiken. Brave Menander! We hebben bij de Pot geen letter Aristofanes te zien gekregen natuurlijk. Het gerucht deed onder studenten de ronde dat zijn vele kinderen door een deus ex machina verwekt waren.

Hij was het prototype van de filoloog, het tegendeel van een tafelspringer, droog, maar eerlijk. Ik zie hem nog zitten, met zijn Euripidesuitgave van Murray in de hand, knabbelend op ieder woord, het omdraaiend en proevend, bij voorkeur de kleinste woorden, de 'partikels', die de doorslag gaven voor de uiteindelijke beslissing over een tekstinterpretatie*. Het literaire aspect van de tekst verdween bij dat alles op de achtergrond, maar iedere keer dat ik de tekst nu lees, niet meer gehinderd door de ballast van grammatica of woordenschat, raak ik in de ban van woordkunstenaar Euripides, bijna alsof ik hem in mijn eigen moedertaal lees.

Het was de werkmethode van het aloude klassieketalenonderwijs, per aspera ad astra. Eerst door de droge filologische stof heen, om daarna de literaire vruchten te plukken. De huidige tijdgeest lijkt in het onderwijs niet meer in hetzelfde spoor te lopen, tenzij je een sportcarrière wilt uitbouwen: daar kennen ze dat nog.

Euripides' Elektra is, zoals gezegd, een eigenzinnig mens, niet echt sympathiek of moreel hoogstaand zoals de heilige Antigone. Ook niet het passieve personage van Aeschylus en Sophocles: zij werkt actief mee aan de moord op haar moeder, vastberadener dan haar broer Orestes. Ondanks de gruwel van het gebeurde worden zij toch niet gestraft en blijven zij leven, want 'de schuld ligt niet bij hen, maar bij Apollo'. Dit in tegenstelling bijv. tot de Antigone van Sophocles, waar zowat iedereen zelfmoord pleegt, ook al zijn ze moreel gezien onschuldig. Zoals u wel gemerkt hebt heb ik het niet zo op de Antigone begrepen - tenminste niet op de focus op dat godvruchtige personage die je steevast in de handboeken vindt -, ik heb mijn lessen nooit beschouwd als een ondersteuning van het vak 'Godsdienst' of 'Zedenleer'. Antigone is zoiets als de onbevlekte ontvangenis: een onbereikbaar ideaal. Als je toch een discussie op gang wilt brengen, dan lijkt de vraag, of een gewone moordenares (zoals jij of ik ;-) ongestraft kan blijven door de schuld op zoiets als 'een god' te schuiven, stevig genoeg. Ik denk trouwens dat ook Euripides die steen in de kikkerpoel heeft willen gooien.

Maar ondanks al die 'moderne' vrouwen met karakter bij Euripides, of misschien juist daardoor, blijft het maatschappijbeeld waarin de gebeurtenissen zich afspelen onthutsend. De tijd is die van het mythologische Mycene, maar de mentaliteit ongetwijfeld die van het eigentijdse Athene. Over meisjes is de macht van een vader onbetwistbaar. Stiefvader Aegisthus huwelijkt Elektra uit aan wie hij wil. Voor haarzelf hoeft hij niet te vrezen: een vrouw bezit blijkbaar geen daadkracht of initiatief om een wraakactie uit te voeren, daar hebben ze een man voor nodig. En als zij in deze standenmaatschappij wordt uitgehuwelijkt aan iemand van lage rang, is ze helemaal niets meer, want de proletariërs hebben geen macht. Ook het kind van Elektra van zo'n man betekent dus geen gevaar voor hem. Wat is nu de grote truc? De boer aan wie Elektra is uitgehuwelijkt raakt haar niet aan. Zij is dus nog ongerept, onbevlekt door de lagere stand, zij is nog maagd. Dank zij haar moreel hoogstaande boer is zij nog een waardevol item op de huwelijksmarkt en kan zij door de Dioscuren als vrouw aan Orestes' vriend gegeven worden. Eind goed, al goed.

De terminologie waarin dit door de boer verduidelijkt wordt spreekt voor zichzelf:
ἣν οὔποθ᾽ ἁνὴρ ὅδε — σύνοιδέ μοι Κύπρις —
ᾔσχυνεν εὐνῇ: παρθένος δ᾽ ἔτ᾽ ἐστὶ δή.
αἰσχύνομαι γὰρ ὀλβίων ἀνδρῶν τέκνα (45)
λαβὼν ὑβρίζειν, οὐ κατάξιος γεγώς.

'Ik heb haar nooit beschaamd in bed', 'ik vind het een schande als ik kinderen van aanzienlijke mensen zou nemen, dat is een verkrachting, omdat ik niet gelijkwaardig ben aan hen.'
Hij voegt eraan toe dat dat volgens hem een correcte maatstaf is en wie vindt dat hij een dwaas is, is zelf een dwaas.

Dit is ons cultureel erfgoed. Wij zijn van ver gekomen. En wie vindt dat ik dwaas ben om ook de aandacht te richten op de weinig lovenswaardige middenoostenaspecten van onze culturele bronnen die is ...
Zo modern was Euripides dan weer niet.
--------------------------------
* De oud-student die zich nog eens wil vermeien in de stijl van Van Pottelbergh vindt hier een artikel van zijn hand :-)

zondag 21 november 2010

De sycofant, een daderprofiel


Dat er stijlen zijn in het pleiten van een rechtszaak, nu nog, in België, hebben we met eigen ogen en oren op televisie kunnen meemaken, toen we advocaten van de aanklacht en de verdediging aan het werk zagen in de zaak waar vorig blogbericht naar verwijst. De advocaat van de klagers maakte daarbij bovendien gebruik van profiling* om de beklaagde des te nadrukkelijker als dader voor te stellen. Een praktijk die heel wat controverse en discussie heeft teweeggebracht. Want is zo'n 'afschildering' wel eerlijk? Krijgen we geen eenzijdig en gemanipuleerd persoonlijkheidsbeeld voorgeschoteld?

In de oudheid lag dat allemaal simpeler. Natuurlijk schilder je de tegenstander zo misdadig mogelijk af, je wilt tenslotte het proces winnen? De tegenpartij moet maar even gewiekst uit de hoek komen. Ook Cicero, de grote pleitbezorger van de vir bonus, de 'goede burger' die moet handelen in het belang van de gemeenschap en daartoe allerlei deugden moet vertonen, zag er geen graten in de tegenpartij grondig zwart te maken (waar een 'goede burger' bijv. in het geval van een schurk als Verres, of Catilina, het alleen maar mee eens kon zijn). De ouden verwachtten een partijdige voorstelling van de feiten - profiling was dagelijkse praktijk in antieke rechtszaken - en het kwam erop aan retorisch zo goed geschoold te zijn dat jouw voorstelling van zaken bij de jury als 'de meest waarschijnlijke' overkwam.

In de prille Atheense democratie nam het onderwijs in de welsprekendheid dan ook een hoge vlucht, nu iedere burger voor de rechtbank zijn gelijk kon halen. Zijn gelijk, of het de 'waarheid' was of niet. De laatste overweging was dan ook de aanleiding voor onze (meer moralistische?) tijden om de retorica, samen met haar meest notoire beoefenaars, de sofisten, te verketteren. Een typisch voorbeeld van 'het kind met het badwater weggooien'.

Een onaangenaam bijverschijnsel van deze juridische bedrijvigheid in de nieuwe democratie was de 'sycofant'. Een neutrale definitie zou kunnen zijn: iemand die aanklachten formuleert en daarmee een rechtszaak in gang zet. Bij Van Dale vind je: gemene bedrieger, iem. die valse aanklachten doet, beroepsverklikker, vleier, pluimstrijker, parasiet. Daarmee is de toon wel gezet. En om het psychologisch profiel aan te vullen: mijn Grieks woordenboek vermeldt bij de praktijk van de συκοφαντια 1.valse aanklacht, laster, chantage 2. verdraaiing van feiten, sofisme. Wat moet een advocaat van de verdediging op tafel leggen om dit beeld van de beklaagde als onwaarschijnlijk te laten klasseren? Interessante denkoefening, laat u niet tegenhouden ;-)

Demosthenes (4e eeuw v.o.t.) haalt er geen psychiater bij in zijn aanklacht tegen Aristogeitoon, maar profilen kan hij als de beste, want als het volgende personage geen sycofant is, dan weet ik het niet :-)

[51] σκοπεῖτε γάρ. εἰσὶν ὁμοῦ δισμύριοι πάντες Ἀθηναῖοι. τούτων ἕκαστος ἕν γέ τι πράττων κατὰ τὴν ἀγορὰν περιέρχεται, ἤτοι νὴ τὸν Ἡρακλέα τῶν κοινῶν ἢ τῶν ἰδίων. ἀλλ᾽ οὐχ οὗτος οὐδέν, οὐδ᾽ ἂν ἔχοι δεῖξαι πρὸς ὅτῳ τὸν βίον ἐστὶ τῶν μετρίων ἢ καλῶν. οὐχὶ τῶν πολιτικῶν ἀγαθῶν ἐπ᾽ οὐδενὶ τῇ ψυχῇ διατρίβει: οὐ τέχνης, οὐ γεωργίας, οὐκ ἄλλης ἐργασίας οὐδεμιᾶς ἐπιμελεῖται: οὐ φιλανθρωπίας, οὐχ ὁμιλίας οὐδεμιᾶς οὐδενὶ κοινωνεῖ: [52] ἀλλὰ πορεύεται διὰ τῆς ἀγορᾶς, ὥσπερ ἔχις ἢ σκορπίος ἠρκὼς τὸ κέντρον, ᾁττων δεῦρο κἀκεῖσε, σκοπῶν τίνι συμφορὰν ἢ βλασφημίαν ἢ κακόν τι προστριψάμενος καὶ καταστήσας εἰς φόβον ἀργύριον εἰσπράξεται. οὐδὲ προσφοιτᾷ πρός τι τούτων τῶν ἐν τῇ πόλει κουρείων ἢ μυροπωλίων ἢ τῶν ἄλλων ἐργαστηρίων οὐδὲ πρὸς ἕν: ἀλλ᾽ ἄσπειστος, ἀνίδρυτος, ἄμεικτος, οὐ χάριν, οὐ φιλίαν, οὐκ ἄλλ᾽ οὐδὲν ὧν ἄνθρωπος μέτριος γιγνώσκων: μεθ᾽ ὧν δ᾽ οἱ ζωγράφοι τοὺς ἀσεβεῖς ἐν Ἅιδου γράφουσιν, μετὰ τούτων, μετ᾽ ἀρᾶς καὶ βλασφημίας καὶ φθόνου καὶ στάσεως καὶ νείκους, περιέρχεται.

Kijk eens. Er zijn al bij al ongeveer 20.000 Atheners. Ieder is actief op de agora, gegarandeerd, in de openbare sector of privé. Niet zo de beklaagde. Hij kan geen enkele normale of lovenswaardige activiteit aanwijzen waar hij zich mee bezig houdt, hij zet zich niet in voor het welzijn van de staat; hij oefent geen ambacht uit of de boerenstiel of een andere bezigheid; hij maakt geen deel uit van een liefdadige of een andere sociale organisatie. Wat hij wél doet is de agora afschuimen, zoals een slang of een schorpioen met opgeheven angel, van links naar rechts schietend, op de loer naar iemand die hij kan betrappen op tegenslag, kwaadsprekerij, of een of andere misstap, iemand die hij kan afpersen door hem te terroriseren. Hij bezoekt geen enkele gebruikelijke gelegenheid in de stad, zoals de kapper of de reukwarenzaak; hij is onverzoenlijk, rusteloos, asociaal, en kent geen dank, vriendschap of een ander dergelijk gevoel zoals een gewoon mens. Hij houdt zich op met de metgezellen waarmee schilders de goddelozen in de Hades afbeelden: met Vervloeking, Laster, Afgunst, Tweedracht en Ophitsing.

(enzovoort...klik op 'load' voor Engelse vertaling)

------------------------
* Over profiling handelt deze thesis, definitie en toepassing op p.14/15

donderdag 11 november 2010

Actuele antiquiteiten


Latijnse spreuken debiteren bij een toepasselijke actualiteit: één Vlaamse politicus heeft daar zijn handelsmerk van gemaakt. Maar er zijn er nog die dat kunnen, de klassieke oudheid op het heden betrekken. En hoe. Een collega classicus Wouter De Craen heeft in het bestek van een korte lezersbrief (DM 28/10) een haarscherpe analyse gemaakt van de pleitstijlen in het proces over de 'parachutemoord'. Cato en Cicero, atticisme en asianisme worden trefzeker neergepoot in de figuren van Van Aelst en Vermassen, en en passant wordt onze kennis van de aristotelische triade nog eens opgefrist. De lezersbrief kunt u hiernaast aanklikken. Wat mij betreft mag De Craen onmiddellijk een blog opstarten, want hiervan lust ik nog meer.

zondag 24 oktober 2010

Mulieres debent esse subditae maritis


Het blijft altijd nuttig, als er een discussie is over teksten, om de oorspronkelijke tekst bij de hand te hebben. Bij voorkeur een geautoriseerde. Door een autoriteit ter zake. Bijvoorbeeld in het welles-nietesspelletje rond de positie van de vrouw in de islam. Wat schrijft de koran erover, en wat de koranschriftgeleerden? Als ik die teksten lees prijs ik mij gelukkig dat ik niet als mohammedaanse ben opgevoed. De prille vorming in het katholieke vrouwdom van de jaren '50 was al meer dan genoeg. Dat is allemaal nu een wazige herinnering in een tijd dat de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen eindelijk een feit is, zolang je buiten het R.K.Kerkgebied blijft.

Maar op onverwachte momenten wordt die herinnering plots springlevend. Zoals deze week, op de tentoonstelling 'De wereld van Lucas Cranach' in Brussel. Een tentoonstelling zonder toeters en bellen, maar rijk aan materiaal en ook weer niet teveel. Binnen de traditie van de 16e eeuw heeft Cranach een aantal vrouwen(naakt-)portretten neergezet die er mogen zijn. Interessant, eigenzinnig. Aan het eind van de tentoonstelling kom je in een nogal lege ruimte waar het slotstuk hangt: de 'Triptiek van Georg met de Baard, hertog van Saksen' (1534). Het middenstuk heeft een Man van Smarten, links en rechts zie je de sponsors van het werk, de hertog en de hertogin. Schitterend geschilderd, prachtige stofweergave.

Cranach zet geregeld teksten op zijn werken, vooral bij de vrouwelijke naakten, zedenlessen, die volgens de commentaren de vrijmoedige erotiek van de afbeeldingen moeten legitimeren. Meestal in het Latijn, wat het voor mij natuurlijk direct nog interessanter maakt. Ook de triptiek bevat twee tekstluiken (weliswaar zonder sensuele naakten) die van ver al opvallen, en benieuwd ging ik wat dichterbij staan. De beginwoorden gaven toch nog even een schok, zo'n tekst open en bloot en schaamteloos tegen de muur: Mulieres debent esse subditae maritis (vrouwen moeten ondergeschikt zijn aan hun echtgenoot). Een beetje verder lezen maakte ook duidelijk dat het geen koranverzen zijn: er wordt verwezen 'ad Ephe 5'.

Boven Georgs hoofd vinden we twee verwijzingen naar brieven van Paulus, boven hertogin Barbaras hoofd een verwijzing naar een brief van Petrus. Genoeg aanleiding voor mij om deze teksten uit de (weliswaar christelijke) oudheid op te zoeken. Dat de echte stichter van de christelijke beweging, Paulus, vrouwonvriendelijke uitspraken gedaan heeft is algemeen bekend. In deze tijd zou hij onmiddellijk rechtser dan Geert Wilders geklasseerd worden. Maar Petrus' opinies over de hierarchie in de staat liegen er evenmin om: in Iran zou hij ongetwijfeld op handgeklap onthaald zijn.

Het is duidelijk hoe Georg zijn maatschappij ziet: zij moet een overzichtelijke structuur vertonen, met een strakke hiërarchie, en gestoeld zijn op de bijbel. Het protestantisme is dan nog maar een kleine 20 jaar jong en heeft zich wel ontdaan van de corrupte Roomse clerus, maar Georg blijft de katholieke kerk, en haar gezag, trouw.
Hier is de transcriptie (tussen rechte haakjes de stukken die ik niet helemaal kon lezen):

Boven Georg: Mulieres debent esse subditae maritis sicut deo. Mariti debent diligere uxores sicut corpus suum. Quilibet diligat uxorem sicut se ipsum. Uxor timeat maritum.
Ad Ephe 5
Mulieres habeant honestum vestitum cum discretione.
Ad Timoth [2]

(Vrouwen moeten ondergeschikt zijn aan hun echtgenoten zoals aan God. Echtgenoten moeten hun echtgenotes liefhebben zoals hun eigen lichaam. Al wie zijn echtgenote liefheeft (doet dat) zoals zichzelf. De echtgenote moet ontzag hebben voor haar man. Paulus, Ad Ephesios 5 Vrouwen moeten eerbare kledij dragen, met ingetogenheid. Paulus, Ad Timotheum 1,2)

Boven Barbara: Estote [subiecti] omni humanae creaturae propter deum, sive regi sicut praecipuo, sive principibus [tamquam] a rege missis in vindictam malorum laudem vero bonorum quia sic est voluntas dei.
Pet secundo
(Jullie moeten je aan iedere menselijke instelling onderwerpen, ter wille van God, hetzij aan de koning, als de voornaamste, of aan de prinsen als gezonden door de koning tot bestraffing van de slechten en tot lof dan weer van de goeden, want zo is de wil van God. Petrus 2, 13-15)

Voor wie een bijbel in huis heeft loont het de moeite de geciteerde teksten nog eens door te lezen. Twee zaken worden dan duidelijker in perspectief gezet: Georg heeft een eigen ingekorte pregnante versie laten neerschrijven door Cranach, kwestie van zeker te zijn dat hij goed begrepen zou worden. De man is de baas in het huishouden en de koning is de baas in de staat. Dit is de wil van God. Een tweede overweging geldt de autoriteit van deze teksten nu: die bestaat niet meer. Het christendom kan perfect leven met de relativering van de vrouwonvriendelijke en andere uitspraken in de bijbel als historisch geklasseerd. Passé. Onze westerse cultuur gehoorzaamt aan lekenwetten, die in overleg gemaakt, veranderd of afgeschaft kunnen worden. Door mensen. Voor een mohammedaanse vrouw kan dat jammer genoeg niet met de koran. Zeggen autoriteiten terzake.

Om de westerse Verlichting te vieren druk ik hiernaast de Venus van Cranach af, gekleed cum discretione ;-)

zaterdag 25 september 2010

Ô caput elleboro dignum


Ik krijg geregeld tips van classics fans over interessante onderwerpen, en deze, van mijn eerstgeborene, is een gouden tip. Het begint met een blogbericht, vers van de pers, en het stopt niet meer: cartografie, de Bibliothèque nationale de France, een geheime sekte waar Ortelius lid van was, de tijd vliegt voorbij met allerlei interessante vondsten, allemaal te vinden op het internet.

Wat we hier zien is een 16e-eeuwse wereldkaart (1590), uit de collectie van de Bibliothèque nationale de France, voorgesteld als het gezicht van een hofnar. Helemaal niet leuk, en zo is het ook bedoeld. Een beetje insectachtig, klaar om in een sombere science-fictionfilm te stappen. De wereld is een naargeestig oord. De kaart is slechts een aanleiding voor het kenbaar maken van deze pessimistische wereldvisie. Als een hofnar, die als enige ongestraft aan het koninklijk hof de onaangename waarheid mocht debiteren. Als u op de afbeelding klikt en dan nog eens inzoomt (een prachtig scherp beeld) kunt u (bijna) al de Latijnse spreuken die de negatieve boodschap verwoorden goed lezen (*).

Ook goed leesbaar, op de kaart zelf, bij Antarctica, staat de enige boodschap die een positieve inhoud heeft (toch volgens mij): terra australis nondum cognita, land in het Zuiden dat we nog niet kennen. M.a.w. ze waren er gerust in dat ze hun kennis konden vergroten. De veronderstelling dat er zoiets als een zuidelijk continent moest bestaan ging overigens terug op de oude Grieken, die dat daar plaatsten omdat anders de wereld in onevenwicht zou zijn. Verduidelijkt deze bron.

Linksboven op de kaart staat 'Orontius Fineus'. De Latijnse naam van Oronce Finé, een 16e-eeuwse cartograaf (1494-1555). De kaart schijnt bijna zeker rond 1580-1590 gemaakt te zijn, wat auteurschap van Finé lijkt uit te sluiten. De grote cartografen van die tijd, waaronder Mercator, Ortelius, zouden tot een geheime spiritualistische sekte behoord hebben, het 'Huys der Liefde' (p.52 e.v.), maar of de pessimistische sfeer van de afbeelding nu met de beginselen ervan te maken zou hebben, of juist ermee spot, is niet duidelijk.

In ieder geval schopt de auteur met veel plezier (zo lijkt het) tegen de schenen van iedereen die een hoge dunk heeft van het mensdom en de wereld. Na de bekende aansporing uit Delphi 'Ken uzelf' (nosce te ipsum) komen we snel te weten wat het resultaat zal zijn van dit zelfonderzoek: we zijn ezels (auriculas asini quis non habet?), we zijn dommeriken (stultorum infinitus est numerus, stultus factus est omnis homo), we zijn windbuilen (vanitas vanitatum et omnia vanitas, universa vanitas omnis homo), de wereld houdt zich met banaliteiten bezig (o curas hominum, o quantum est in rebus inane) en verdient een portie vergif (o caput elleboro dignum). Beroemde denkers liepen ook niet hoog op met de wereld, ze lachten ermee of huilden erom (Democritus Abderites deridebat, Heraclites Ephesius deflebat) en een Epichthonius Cosmopolitus deformabat, 'beeldde de wereld af'. Dat hij in de reeks van filosofen staat is weer een grapje, want de naam betekent 'aardbewoner/burger van de kosmos'. Die domme ezel dus.

(In bovengenoemd blogbericht vindt u de bronnen en vertalingen van de citaten.)

De enige langere tekst, in de 'wenkbrauwen' van het creatuur, komt van Plinius, Naturalis Historia 72,2 (Hic est mundi punctus et materia gloriae nostrae, hic sedes, hic honores gerimus, hic exercemus imperia, hic opes cupimus, hic tumultuatur humanum genus, hic instauramus bella, etiam civica), waarin de beschrijving van de wereld naar een -negatieve- climax verloopt. Die wereld, waar we zo hoog van opgeven, is de plaats waar we onze territoriumzucht, postjespakkerij, heerszucht, geldzucht en oorlogszucht uitleven.

Genoeg om depressief van te worden ;-)

Dat was dan ook waarschijnlijk de reden waarom Robert Burton in zijn 'The Anatomy of Melancholy' (1621) zoveel aandacht (p.48 e.v.)besteedt aan dit onderwerp. Het is fascinerende lectuur (voor als u tijd over hebt). Misschien lees ik het nog eens helemaal.
Maar het lijkt me een prachtig intermezzo in de lessen Latijn: één kaart, kort genoeg voor een les en rijk genoeg van inhoud voor verdere 'uitdieping'.

----------------------------
(*) Voor als u het goed groot wilt uitprinten: deze site biedt het plaatje in verschillende resoluties aan.

donderdag 16 september 2010

'De ethische ontwikkeling van de kerkelijke elite'


"Ga ook eens nadenken over de plaats van de Grieks-Romeinse cultuur en literatuur in de ethische ontwikkeling van de kerkelijke elite. Wordt deze nog altijd geduid vanuit een superioriteit? Men keek voor deze tijdsrekening enigszins anders naar jonge knapen. Het kunnen lezen van Latijn en Grieks maakt het misschien allemaal zo erg niet?"

In deze verbijsterende voorlaatste alinea van het artikel van ene Jan Callebaut ('geeft kerk christelijk geïnspireerd communicatieadvies') (klik op plaatje voor persoonsgegevens) in De Morgen van 15 september struikelen we over enkele enormiteiten. Niet op je gezicht gaan, beste lezer;-) In de medialawine over pedofilie in de R.K.Kerk zijn al sterkere coryfeeën ten onder gegaan in incoherent gestamel, het was slechts wachten op een veeg uit de pan naar de klassieken. Quod factum.

Om met het leuke anachronisme te beginnen: vóór onze tijdsrekening was er nog geen Jezus, right? Voor iemand die niet zo vertrouwd is met de katholieke traditie wil ik verduidelijken: de huidige kerkelijke machthebbers hebben ongetwijfeld in hun lessen Grieks en Latijn kennis gemaakt met de heidense geschriften van vóór Jezus, maar de pedofilie die daar te vinden kan zijn zal zeker geen onderdeel gevormd hebben van hun curriculum. Een Vergilius, Cicero, Seneca (die in Christus' tijd leefde) waren toegelaten, omdat daarin een christelijke boodschap ontwaard kon worden. Wat daarbuiten viel was heidens, en dus niet au serieux te nemen, eerder argwanend te bekijken. Wat ze wel volop voorgeschoteld kregen waren de kerkvaders uit de klassieke periode: ethische vorming in het kwadraat, en antiseksueel. Anti-vrouw ook. Bekend is Augustinus' boutade 'Inter faeces et urinam nascimur'. Logisch dat de aandacht voor mannelijke prilheid eerder positief geduid werd. Het enige wezen dat voorbestemd was voor de hoogste mysteries van de kerk was het mannelijke. Dààrmee hangt de ethische ontwikkeling van de kerkelijke elite samen. M.a.w. de kerkelijke pedofiele traditie is zelf-geïnduceerd. Dit proberen op te hangen aan de oude Grieken en Romeinen getuigt van een oppervlakkigheid en een gebrek aan wetenschappelijke ernst die behoorlijk doen twijfelen aan de professionaliteit van de heer Callebaut.

De insinuaties waarmee de opvoeding met en de kennis van Latijn en Grieks weer maar eens in een negatief daglicht geplaatst worden zijn eigenlijk kwalijker dan het aperte bewijs van onzorgvuldig denken van een zogenaamde specialist, hierboven. 'Iemand die Latijn en Grieks kan lezen vergoelijkt pedofilie? En dit gebeurt vanuit 'nog altijd' een superioriteitsgevoel?' Dit is regelrechte laster. Aan het adres van het onderwijs van het Latijn en Grieks. Probeer deze modder maar weer weg te vegen, beste collega's classici.

donderdag 2 september 2010

Latijn een significante factor


Het weekblad Vacature bestudeerde honderd cv’s van ceo’s die vandaag de dienst uitmaken in België. U weet ongetwijfeld wat die afkortingen betekenen, maar om het
nog eens in gewoon Nederlands te zeggen: het blad zocht in de (beroeps-)levensloop van 100 bazen van grote firma's naar gemeenschappelijke factoren, die een significante indicatie zouden kunnen bieden voor hun succesrijke carrière.

Voor wat het waard is: in het artikel vindt u de studie van het Latijn op nummer één. De onderzoekers omschrijven ook de factor in de studie Latijn die volgens hen de succesrijke carrière helpt opbouwen: "Wiskunde, Latijn en Grieks leren u denken binnen een systeem. Dat is belangrijk om verder te geraken. Zonder een vorm van perfectionisme, een streven naar volledigheid, wordt u geen ceo".

Zo hoort u het eens van een ander:-)

woensdag 18 augustus 2010

De Apollo van Nadia Naveau


Deze zomer loopt in het Middelheimpark in Antwerpen de expo ‘Nieuwe Monumenten’. Je kunt daar nu een sculptuur aantreffen, 'Roman Riots', van Nadia Naveau.


'Het doet me ergens aan denken,' vond ik, 'het komt me zo bekend voor...'
De herkenning klikte snel over het moderne beeld heen. Nú is het ongetwijfeld 'Roman' voor de kunstenares, maar ooit was het 'Greek' en in stukken en brokken kun je het aantreffen in dat mooie museumpje in Olympia. De beeldengroep uit het westelijke tympanon van de Zeustempel, met de strijd tussen Lapithen en Centauren, en in het midden een meer dan levensgrote Apollo. Gereconstrueerd, zo goed en zo kwaad als het ging. Nadia Naveau noemt het een 'radarwerk' (met een beetje zoeken vond ik de ontstaansgeschiedenis van haar kunstwerk hier).

Ooit zag het er ongeveer zo uit:
En nu in het museum zo:


Of zo:

Maar de volgende foto komt dichter bij Naveau's sculptuur:

Als ik ooit de gelegenheid krijg wil ik haar vragen waarom ze dit werk 'Roman Riots' heeft genoemd. Ik vind het in ieder geval een geslaagde, eigenzinnige, verwerking van klassiek beeldmateriaal. Geen antwoord, maar wat meer details over haar inspiratie vond ik in het hierboven gesignaleerde interview dat Hilde Van Canneyt haar afnam.

Naveau: "Door het thema monumenten ben ik teruggekeerd naar de Oude Grieken. Ik heb me dan op één beeldengroep geïnspireerd die ooit tentoongesteld stond in Griekenland en nu alleen in reconstructie in een archeologisch museum te zien is. Het was net die reconstructie die me extra boeide, hoe de gesneuvelde stukken werden vervangen door een radarwerk. Die compositie vond ik interessant om zo van het statische gegeven ‘sokkel’ of ‘troon’ weg te geraken, dat toch een typisch gegeven bij een monument is. Zo wou ik ook mijn beeld in verschillende delen ophangen aan een radarwerk.
Ik ben redelijk dicht bij het origineel gebleven. Die bestaat in de verticale as uit Apollo die de vrede moet bewaren op een uit de hand gelopen trouwfeest waar de dronken centauren vrouwen verkrachten. Je ziet in mijn sculpturen wel nog dat half man/paard, maar die heeft dan een ouderwetse duikershelm gekregen. De Apollo is meer een Formule 1-rijder geworden. In de buste zie je een Popeye-figuur opduiken. Die figuren groeien terwijl ik aan het boetseren ben. De radar heeft ook iets van een speelgoedframe waar je plastieken stukjes moet uitduwen. Ik wou de voorkant van mijn ‘monument’ klassiek wit houden, maar als je er rond wandelt, krijg je een achterkant die helemaal blauw is.
"

maandag 9 augustus 2010

Draaiende vrouwen


Dat kranten in de komkommertijd zich al eens te buiten gaan aan sensatiekoppen om het lezerspubliek het gevoel te geven dat ze nog altijd waar voor hun geld krijgen, dat kan in een tijdelijke geest van toegeeflijkheid met de mantel der liefde bedekt worden. Maar niet als het er te dik op ligt, zoals nu zaterdag 7/8/'10 in De Standaard met de kop 'Soldatenseks met ‘draaiende vrouwen'', waarbij voor de couleur locale een opdringerige afbeelding van een Romeins erotisch fresco (in de vertrouwde gele en bruinrode oker, met een weinig aan de verbeelding overlatend seksstandje) de blik moet vangen.

Soldatenseks? Zoals in bakkersseks, verpleegstersseks, journalistenseks...? Draaiende vrouwen?
Vertroebeling van het gemoed was mijn deel bij de poging de motorische implicaties van het opgeroepen beeld te bevatten. Een aspect van de antiekromeinse put van verderf dat mij nog niet bekend was. Sensatie!

In dit overigens goed gedocumenteerde artikeltje over het soldatenleven in de Romeinse provincie Egypte werd al gauw duidelijk dat redacteur Manu Tassier een ietwat slordige leraar Nederlands moet hebben gehad - anders zou hij zich zeker niet bezondigd hebben aan het oeroude taaie gallicisme 'de soldaat van wacht' -, maar dat zijn leraar Grieks helemaal niet te kort geschoten was in zijn ijver de jonge Manu de knepen van het vertaalvak te leren. In de allerlaatste zin is het namelijk zonneklaar dat Tassier wel degelijk weet wat de correcte interpretatie is van het werkwoord κυκλευειν dat de aard van de prostitutie beschrijft: de prostituee 'doet de ronde van het garnizoen'. Zij moet iedere soldaat bedienen. En zoiets noem je niet ronddraaien.

Dat is een slecht-Nederlandse, en gewoon foute, vertaling. Een moedwillige, gezien de komkommertijd?

zondag 25 juli 2010

Ihr holden Schwäne


Friedrich Hölderlin is hier al eens ter sprake gekomen, als Pindarusvertaler. Hij kende zijn klassieken door en door, beter dan ik en, naar ik vermoed, de meesten van mijn medeclassici nu ooit zullen bereiken. Verschillende eeuwen, verschillende prioriteiten. Ook zijn eigen werk is compleet verstrengeld met de klassiek-Griekse traditie. Het maakt het minder gemakkelijk te 'veroveren' en waarschijnlijk haken lezers die geen voeling hebben met die klassieke traditie snel af. Om over de kennis van het Duits nog niet te spreken.

Maar soms vind je bij Hölderlin gedichten die helemaal geen klassieke klank hebben. En evenmin ouderwets overkomen. Die gewoon eeuwig verstaanbaar zijn, zolang natuur en mensen bestaan. Pure poëzie, zoals het schitterende 'Hälfte des Lebens' :

Mit gelben Birnen hänget
Und voll mit wilden Rosen
Das Land in den See,
Ihr holden Schwäne,
Und trunken von Küssen
Tunkt ihr das Haupt
Ins heilignüchterne Wasser.

Weh mir, wo nehm’ ich, wenn
Es Winter ist, die Blumen , und wo
Den Sonnenschein,
Und Schatten der Erde ?
Die Mauern stehn
Sprachlos und kalt, im Winde
Klirren die Fahnen.


Een vertaling (onderaan) doet natuurlijk onmiddelijk afbreuk aan de klank van het gedicht. Gelben Birnen vertalen met 'gele peren': dan verlies je het warme stemhebbende karakter van de 'g', de 'n' en de 'b' en daarmee ook de sfeer. En de sfeer oproepen van een idyllische natuur, daar was Hölderlin een meester in. Natuurlijk is er meer aan de hand in het gedicht, dat merk je aan het Weh mir. De 'ommekeer'. Het gedicht eindigt bij de techniek, als antithese van de natuur : muren en windvanen, Hölderlins realiteit in een wintertijd zonder bloemen en zonnewarmte. Wetende dat Hölderlin dé dichter over het dichterschap is moeten we vermoeden dat daar ook hier sprake van is, en dat dat heerlijke beeld van zwanen die in een roes het water beroeren iets meer is dan een romantische stemming.

Hölderlin publiceerde dit gedicht in 1805, waar voor hem inderdaad zowel letterlijk als symbolisch de helft van zijn leven te situeren is. Dat weten wij nú, achteraf, en sommige commentatoren trekken zonder nadenken die anachronistische kaart, alsof Hölderlin dat op dat moment geweten zou hebben. De titel moet uiteraard geïnterpreteerd worden binnen zijn opvattingen van het dichterschap. En opvattingen had hij, onderbouwd, uitgewerkt en becommentarieerd. Het lukt alleen groten zoals Hölderlin om toch nog, ondanks deze theoretisch intellectuele achtergrond, en zonder dat de lezer daar een vermoeden van hoeft te krijgen, een 'ongerept' pareltje als Hälfte des Lebens neer te zetten.

De zwanen, het 'heilignuchtere' meer, de bloemen, de winter: ze staan bij Hölderlin voor meer dan hun oppervlaktebetekenis, zoals ik in heel wat commentaren ontdekt heb, en zijn integraal terug te voeren op motieven uit de klassieken. Niet alleen qua inhoud, maar ook verstechnisch is er een klassieke erfenis te vinden en daarover eerst in het kort, even.

Met zijn affiniteit tot Pindarus had Hölderlin een reputatie van 'mannelijk-profetische' dichter toegedicht gekregen. Maar aan zijn poëzie zit ook een zeer sterke lyrische kant, die men dan eerder 'vrouwelijk' wil noemen, verwijzend naar Sappho, dé lyrische dichter bij uitstek. Dat valt voor sommigen duidelijk aan te wijzen in de metriek, met name het gebruik van de adoneus, het eindvers van de sapphische strofe (dit kan geen toeval zijn, gezien Hölderlins klassieke achtergrond en de zorgvuldigheid waarmee hij zijn gedichten componeerde): -uu-u, of: beklemtoond, onbeklemtoond, onbeklemtoond, beklemtoond, onbeklemtoond. De titel van dit gedicht is zo'n adoneus, de eindregel ook. Je vindt er nog een aantal binnen het gedicht. Het illustreert wat rond 1800 de literaire aandacht vasthield en hoezeer Sappho in de belangstelling stond.

Hoe merkwaardig al die klassiekgerichte aandacht van Hölderlin ook is in het licht van zijn wens een authentieke Duitse onafhankelijke poëzie te willen creëren, even groots als de antiek-Griekse (een aspect van zijn dichterschap dat door die beruchte en bepaald sinistere stroming in de Duitse geschiedenis helaas uitgebuit is), het blijft een boeiende ontdekking in Hälfte des Lebens doorheen de uitvoerige commentaren die ik o.a. hier gevonden heb en waarvan ik een gedeelte wil overnemen.

De zwaan is het traditionele zinnebeeld van de dichter. De metafoor was in Hölderlins tijd nog algemeen verbreid en zonder meer zo begrepen. Plato vertelt (Staat X,620) dat de ziel van Orpheus in de onderwereld verkiest als een zwaan terug te keren op aarde, voor Callimachus zijn de zwanen 'de vogels van de muzen', Horatius noemt Pindarus 'de Dircaeische zwaan' (Carm. IV,2,25). In 1534 publiceert Alciatus zijn Emblemata met de zwaan als embleem van de dichter.

De dronkenschap van dergelijke zwanen is in dit verband volkomen normaal, zeker in combinatie met 'nuchter' water ;-) De 'nuchtere dronkenschap' is immers eigen aan de dichter, en dat sinds klassieke tijden (sobria ebrietas, μέθη νηφάλιοϛ), want dichtkunst is een combinatie van begeestering en bezonnenheid. Bij de Pseudo-Longinus in zijn 'Πεϱὶ ὕψουϛ' ('Over het verhevene') vinden we de overdenking: ὅτι κἀν βακχεύμασι νήφειν ἀναγκαῖον (dat nuchter blijven ook in een bacchantische vervoering noodzakelijk is). Later pakken de kerkvaders de term over in mystiek-religieuze betekenis, en in Duitsland is hij in de tijd van Goethe nog algemeen in poëtische zin. Een notitie van Hölderlin zegt: »Das ist das Maß der Begeisterung, das jedem Einzelnen gegeben ist, daß der eine bei größerem, der andere nur bei schwächerem Feuer die Besinnung noch im nötigen Grade behält. Da wo die Nüchternheit dich verläßt, da ist die Grenze deiner Begeisterung. Der große Dichter ist niemals von sich selbst verlassen, er mag sich so weit über sich selbst erheben als er will [...] « (m.a.w. de maat voor de begeestering is bezonnenheid, zoveel als nodig is voor het evenwicht; een grote dichter bezit dit evenwicht altijd). Waarbij het sich selbst blijkbaar staat voor nuchterheid, niet onbelangrijk m.b.t. dit gedicht.

En tenslotte de bloemen. Elders spreekt Hölderlin over 'Worte, wie Blumen' en 'Blume des Mundes'. Al bij Cicero is er sprake van 'verborum sententiarumque floribus' (De Oratore III,96). Het uitkiezen van gedichten noemt men 'bloemlezing'. Onze zwanen die dronken zijn van kussen: dat zijn de woorden die zij in hun vervoering ontvangen. Als Hölderlin in dit gedicht bloemen wil plukken heeft hij het ongetwijfeld over het dichterschap, het vinden van woorden.

Terug naar Hälfte des Lebens.

Hölderlin schildert een zonovergoten en schaduwrijk landschap waar de vruchten rijp zijn en een overvloed aan - wilde - bloemen aanwezig. De 'natuurlijke' rijkdom van het poëtisch landschap, waarin dichters hun gading vinden en hun inspiratie concreet maken dank zij het evenwicht dat zij vinden in het 'nuchtere water'. De rijke traditie van de poëzie sinds de antieken. Een landschap waar Hölderlin geen deel van uitmaakt. Hij bevindt zich in de andere helft van het leven (het dichterschap?), waar hij niet kan putten uit wat voorhanden is, maar zelf moet gaan zoeken naar woorden in een schrale, winterse, technische wereld. Hij moet helemaal zelf een nieuwe begeestering, een nieuw evenwicht en een nieuwe poëzie scheppen. Een vaderlandse?

--------------------------------------
Letterlijke weergave van 'Hälfte des Lebens':

Helft van het leven

Met gele peren hangt
En vol met wilde rozen
Het land in het meer,
Jullie, lieflijke zwanen,
En dronken van kussen
Dopen jullie het hoofd
In het heilignuchtere water.

Wee mij, waar neem ik, wanneer
Het winter is, de bloemen, en waar
De zonneschijn,
En schaduw van de aarde?
De muren staan
Sprakeloos en koud, in de wind
Klapperen de windvanen.

dinsdag 6 juli 2010

I thank on my knees him who directed my early education, for having put into my possession this rich source of delight


De bovenstaande woorden over een klassieke opleiding zijn van Thomas Jefferson, 3e president van de USA en de hoofdauteur van hun onafhankelijkheidsverklaring.

Het blijft verrassen hoeveel klassieke beeldcultuur je aantreft in 'Amerika', dat, toch volgens een gangbare opinie, hét thuisland van de cultuurbarbaren is. Het hangt natuurlijk af van wat volgens iemand cultuur is en dus zou ik met gerust gemoed kunnen beweren dat, kijkend naar het huidig televisieaanbod, ook België best in die categorie kan vallen.

Onlangs was ik nog eens terug voor een bezoek aan de States, en tussen een rack of baby back ribs en een New York strip door stippelden we de 'stops' uit waar we naar toe wilden. In Kentucky. De groene Michelin gaf twee sterren aan het Old State Capitol in Kentucky's hoofdstad Frankfort. "...flawless Greek Revival creation", "...the building mimics the greek temple of Minerva..." De combinatie van 'greek' en 'Minerva' deed even nadenken, maar goed, het is de Michelin, ze bedoelden waarschijnlijk het Parthenon. We zouden wel zien.

We vertrokken oostwaarts, met Fort Knox in onze rug (viel niet te bezoeken), richting 'parthenon'. Wat we niet wilden missen was een bezoekje aan de 'Bourbon Capital of the World' (Bardstown), meer in het bijzonder het bourbonmuseum. Klein, maar goed gedocumenteerd, maakte het ons heel wat wijzer. George Washington had een winstgevende whiskystokerij. Hij vond dat iedereen recht had op zijn dagelijkse portie van het goedje. Ook whiskystoker Elijah Craig ken ik nu, maar om een heel andere reden. Hij stichtte namelijk de eerste 'classical school west of the Appalachians', waar the 'scholars' hun schoolgeld voor de helft in natura moesten betalen, en bij voorkeur hun eigen bed meebrengen. Latijn en Grieks waren de hoofdvakken, naast een aantal, niet nader genoemde, gebruikelijke sciences (zie rechtsboven). Dat was in 1787, in de nog maar pas onafhankelijke USA.

(De eerste Latijnse school stond/staat in Boston, gesticht in 1635 in de toen nog Britse kolonie. Hierover, en over nog meer, heb ik het in mijn artikeltje 'Classica Americana' van 1996.)

Over Frankfort en zijn Old State Capitol (1829) kan ik kort zijn. De hoofdstad van Kentucky is een stil dorpje van 28.000 inwoners met een aantal torengebouwen waar de 'regering' huist, het Old Capitol is gelegen in een mooi parkje en niet open op dinsdag, toen wij er waren met een leugenachtige Michelin in de hand, en het tempelaspect bevindt zich uitsluitend aan de voorkant, met een ionische zuilenpartij, dus: welke tempel van Minerva bedoelt de Michelin? Die van Athena Nike? Maar één bewering is waar: het is een flawless Greek Revival creation. Wat er staat is mooi. Een paar fotootjes hierbij.

Na nog wat omzwervingen belandden we weer in Pittsburgh, plaats van aankomst en vertrek, en van een aantal universiteiten waaronder het befaamde Carnegie Mellon, genoemd naar de twee invloedrijke industriëlen van wie de wetenschappelijke stichtingen samengevoegd werden in 1967. Carnegie, steenrijk geworden in de staalindustrie, stichtte niet alleen in 1900 deze universiteit, maar gebruikte zijn rijkdom voor nog veel meer goede doelen en, in de geest van de tijd, voor o.a. een indrukwekkende verzameling afgietsels van klassieke en Europese beeldhouwwerken en architectuur, die hij vanaf 1895 liet onderbrengen in zijn Carnegie Museum of Art.

En opnieuw kwamen we het Parthenon tegen, nu langs de binnenkant, want één van de zalen van het museum is een replica van de cella van het Parthenon. Zo luidt het toch en ongetwijfeld wist men wel hoe het eruit zag vóór de Venetianen het toenmalige kruitmagazijn opbliezen. De zgn. Hall of Sculpture is echt een prachtige ruimte, met rondom Griekse beelden, waarin men graag ook trouwt of concerteert. Het is maar één van de vele zalen in het steeds groter geworden museum, maar voor ons onderwerp hier vermeld ik alleen die andere zaal, de Hall of Architecture, die bijna het tegenbeeld vormt van de Sculpture Hall, waar helderheid, eenvoud van lijnen en overzichtelijkheid de toon zetten. De Hall of Architecture (gemodelleerd naar het Mausoleum van Halicarnassus), een veel grotere ruimte, komt over als een brocantezaal, waarin alles te vinden is, maar niet zo eenvoudig. De baptisteriumpoorten van Florence, de Zeus van Otricoli, karyatiden, parthenonmaquette, enz., het staat er allemaal, maar overzicht is zoek. Het ene kunstwerk duwt het andere weg. Eenzaam en verloren in een hoekje ontdekte ik Homerus:-) Deze perceptie is natuurlijk een reactie van de verwende moderne bezoeker, die al overal geweest is en de beelden en gebouwen 'in het echt' gezien heeft. Een impressie ziet u hierboven.

Een eeuw geleden had men andere ideeën over replica's. En daarover heb ik weer bijgeleerd. Het maken van gipsafgietsels is een eeuwenlange drukke praktijk geweest vóór onze tijd van foto's en film en toerisme. Men haalde op die manier de kunstwerken naar de eigen stad, zodat studenten van kunst en architectuur met eigen ogen konden zien waar het allemaal om draaide. Het motto was "...that a replica of a masterpiece was superior to a mediocre original". Iedereen was zo in staat kennis te nemen van de klassieke cultuur. Met verbazing heb ik een afgietsel van meters en meters breed en hoog bekeken (van de façade van St.Gilles-du-Gard, mij onbekend tot nu toe) en dan pas beseft hoe belangrijk men dat afgieten vond. Carnegie heeft voor Pittsburgh een verzameling van ruim 140 stuks bijeengebracht.

Nu maakt men geen afgietsels meer, het zou de originelen kunnen beschadigen. Nog maar pas las ik het bericht over de 'schoonmaak' van de Venus van Milo, die allerlei sporen vertoond had van die afgietselpraktijk van eeuwen. Het kost natuurlijk niet zo veel meer om zelf naar Parijs te gaan kijken, en anders hebben we nog altijd 3D-video's. De tijden zijn veranderd.

Maar ik beveel de grootste argwaan aan tegenover een groene Michelin ;-)

zondag 4 juli 2010

Gratias maximas, papa

Vandaag wordt mijn vader 100 jaar. Zou geworden zijn.

Geboren in een schippersfamilie in Doel ging hij naar de lagere school in Sas van Gent, inbegrepen de twee 'uitbreidingsjaren', zodat hij als veertienjarige kon beginnen aan een leerjongensstage voor timmerman in Zelzate. De baas liet hem enkele jaren balken schaven, wat hij al snel meer dan beheerste, en in tussentijd leerde hij het timmervak door 'te stelen met zijn ogen', zoals hij het zelf formuleerde. Daarna volgde hij avondschool voor meubelmaker en werd zelfstandig aannemer van allerlei timmerwerken.

Toen er na mijn derde jaar middelbaar sprake van was om het meisje maar thuis te houden om te helpen in het huishouden, als een laatste stuiptrekking van het verstikkende victoriaanse matriarchaat, kreeg ik van hem de ruimte om verder te studeren, tot en met de onwaarschijnlijke studie klassieke talen.

Geschiedenis was zijn hobby. In onze tijd had hij dat ook kunnen studeren.

woensdag 26 mei 2010

Leraren Grieks en Latijn moeten op handen worden gedragen


Oscar van den Boogaard schreef op 7 mei een column in De Standaard over de Ilias, de kunst van het vertalen en de waarde van de lessen Latijn en Grieks in het middelbaar onderwijs. Hij besloot met de woorden die als titel hierboven staan. Ik ben het vaak niet eens met OvdB's opinies, en zelfs niet met enkele uitspraken in deze column, maar voor die vriendelijke slotwoorden zeg ik hem allerhartelijkst dank.

Hij raakte ook een punt aan waarmee een classicus heel zijn beroepsleven te maken krijgt: de leerlingenbevolking van zijn lessen en, daaraan gekoppeld, de hervormingsdrift van steeds maar andere potentaten die van dat Latijn en dat Grieks af willen. Het aantal leerlingen dat in het secundair Grieks of Latijn volgt, loopt terug, meldt Van den Boogaard. Vergeleken met drie jaar geleden zou het een daling zijn met zes procent. Daar gaan we weer...

Al veel te lang geleden volgde ik het gymnasium - in Nederland dus - in de alpha-richting, wat betekende dat ik in de laatste twee jaren negen uur Grieks en negen uur Latijn kreeg. Een horrorscenario voor leerlingen van nu. (En ook toen was niet iedereen daar gelukkig mee.) Ik kon mij er wel behoorlijk in vinden, maar, zoals ik een paar berichten geleden ook al zei: een beetje geschift zijn helpt. Die tijd is waarschijnlijk voorgoed voorbij, maar kijk, wat lees ik in een Trouw van drie jaar geleden (na Van den Boogaards column ben ik wat gaan rondsurfen): 'Gymnasium steeds populairder'. - Vanaf hier gaat het over de klassieken in Nederland, u bent gewaarschuwd ;-)
Blijkbaar deden zich in Nederland drie jaar geleden toestanden voor die wij in Vlaanderen nu ook courant meemaken: voor een plaatsje op een gewenst gymnasium was het dringen. Uitspraken van directeurs: "In het verleden vroegen ouders vaak wat het nut was van het leren van Latijn en Grieks. Nu horen we die vraag nooit meer" en "Een goede beoordeling (van de school in de pers M.H.) werkt als een rode lap op een stier.” (Een 'maatschappijkritiek' uit 2009 op het aanzuigeffect van de gymnasia vind je hier.)

Eerder een oneigenlijke motivering, en hoe staat het er nu voor? In een artikel in NRC Handelsblad van december vorig jaar figureren weer zulke gymnasia als in het artikel van Trouw, nu als verdedigers van het aloude klassieke-talenonderwijs tégen plannen om Latijn en Grieks in één vak te bundelen: GLTC. Omdat een eigen vertaling van klassieke teksten een ,,zware wissel op het puberbrein” zou trekken wilde men hierin die teksten aanbieden met een vertaling ernaast. In De Volkskrant van 12 januari kan men weinig goeds vinden in dit 'gymnasium-light'.

Het is de afgelopen eeuwen duidelijk bewezen dat een puberbrein aardig wat meer aankan dan een paar vertalingen uit het Latijn of het Grieks. Wat wél veranderd is is de wil en de zelfdiscipline om dat brein te laten werken, zowel bij leraren als bij leerlingen. Wie nog die ouderwetse mentaliteit bezit moet bovendien opboksen tegen de hedendaagse pamperpedagogie die het de puber 'gemakkelijker' wil maken, in plaats van hem voor ernstige uitdagingen te plaatsen. Spijtig genoeg zijn juist deze 'specialisten' te vinden in de kring van voornoemde onderwijspotentaten.

Het gevaar van de GLTC is (misschien tijdelijk) bezworen, zie dit artikel. De VCN, de Vereniging Classici Nederland, heeft de discussies op de voet gevolgd. (Cfr. hun Bulletin nrs. 134 en 135.) Als u de links hierboven bekeken hebt, zult u ook wel opgemerkt hebben dat er veel aandacht besteed wordt en blijkbaar veel belang gehecht wordt aan het onderwerp 'klassieke oudheid' en de aanwezigheid ervan in het onderwijs. Niet onverdeeld positief, maar we zijn het niet anders gewoon. Je vindt er telkens verschillende doorverwijzingen naar andere berichten hierover. Ik kan ze aanraden, ze geven een goede staalkaart van de opinies.

Nog niet lang geleden verscheen een opinie van Frits Bolkestein, nog steeds een invloedrijk man, in De Volkskrant, die goed illustreert hoe de taalkundige vorming van het Latijn en het Grieks onderschat wordt. Al die inspanningen om de taal te leren, die je na een aantal jaren vergeten bent, is volgens hem verloren tijd waarin je in vertaling kennis had kunnen nemen van een groot deel van de klassieke literatuur. Van belang voor hem is het statische pakket van de gelezen literatuur. Terwijl het aanleren van Latijn en Grieks een opvoedkundig proces is, door hem volledig miskend omdat het niet meer aanwijsbaar is in de volwassene die de leerling geworden is.

Beide zijn van belang, maar het laatste geeft een attitude mee, voor het leven, van zelfdiscipline en methode tot het verwerven van een taal en, meer uitgebreid, kennis. Het lezen van literatuur in vertaling is waardevol voor het verwerven van een brede blik op de ideeën van anderen, maar inderdaad, meneer Bolkestein, daar hoef je geen Latijn of Grieks voor in te richten. Daarom moet de core business van het oude-talenonderwijs steeds opnieuw en nadrukkelijk beklemtoond worden: de taalkundige training, die buiten het reguliere onderwijs nauwelijks te realiseren valt. Vertaalde literatuur kun je altijd gemakkelijk nog lezen, maar je weg leren zoeken langs de hinderpalen van een moeilijke brontaal om zelf de betekenis van een tekst te ontcijferen en zo je hermeneutische vaardigheden te ontwikkelen: dat vraagt een intensieve en waardevolle inspanning.

Tijdens mijn lessen Latijn en Grieks leerde ik dat de inhoud van taal zich niet zomaar gewonnen geeft. Lezen is altijd een vorm van vertalen. Vertalen wordt een manier van denken, gelaagd denken, bescheiden denken, eerbiedig denken ook. Mooi gezegd door Oscar van den Boogaard.

zaterdag 15 mei 2010

Commentariolum petitionis
of Hoe win ik de verkiezingen?


Wie vorige zaterdag naar het Oudmaarnietout-evenement in Leuven kwam wist dat het er niet over de vitaliteit van senioren zou gaan. Ook al leken veel elementen in die richting te wijzen: grijs was de hoofdkleur van het universiteitsgebouw, van de kale aula, van de verlichting, van de haren van de aanwezigen. Als je op tijd was gekomen bekroop de twijfel je of ze wel meer dan dertig man bijeen zouden krijgen. Je kon er het spreekwoordelijke kanon afschieten.

Een half uur later was het halfrond gevuld met ca. 250 colloquiumgasten en was een lezingenreeks begonnen van een kwaliteit die ik de laatste jaren niet veel meer heb meegemaakt. De sprekers bekeken hun onderwerp uit de klassieke oudheid met hedendaagse ogen en gaven vice versa antieke beschouwingen bij hedendaagse issues.

Er was een pleidooi voor het behoud van een Grieks-Latijnse waar nog tijd besteed zou blijven worden aan diepgaande moeilijke teksten, als een 'weldadig elders' in ons hedendaagse onderwijs. Het ging over de positieve waarde van retoriek, een onderwerp/vaardigheid die niet meer uit onze scholen geweerd zou mogen worden. Over Europese cultuur en tolerantie. Over vrijheid van meningsuiting en de aanzet daartoe in de Atheense democratie (met een knipoog naar de actualiteit: 'We blijven schatplichtig aan Griekenland'). Deze enkele omschrijvingen doen natuurlijk geen recht aan de degelijke en rijke argumentatie waarmee alles gebracht werd, maar het is niet mijn bedoeling om hier een samenvatting te geven. Hopelijk zetten organisatoren UGent en ULeuven de lezingen snel op hun website.

De hoofdvogel, voor mij, maar naar het applaus te horen ook voor de anderen, werd afgeschoten door Bart De Wever. In een onverdacht verleden had hij toegezegd te komen spreken, maar deze zaterdag wist iedereen dat ze een politicus in volle verkiezingsstrijd voor zich hadden. Iemand die in het niet-politieke leven een historicus is met een bewondering voor Caesar. Hoe conservatief kun je zijn ;-) Zou hij het afraffelen en snel verdwijnen? Dat laatste inderdaad, maar het eerste was een heerlijk commentaar bij het eigen politieke bedrijf, meer bepaald de kiesstrijd. Met een captatio benevolentiae en met gebruikmaking van dezelfde retorische trucs die hij op datzelfde moment aan het becommentariëren was illustreerde hij al doende hoe een politicus zijn gehoor hoort te bewerken.

En dit aan de hand van het Commentariolum petitionis van Quintus Tullius Cicero, jongere broer vàn, die dit tekstje voor broer Marcus uitgeschreven zou hebben als handboek voor zijn verkiezingsstrijd voor het consulaat. (Engelse vertaling hier) Zou, want die toeschrijving wordt betwist. Ik heb spijt dat ik nu pas het bestaan van deze tekst te weten kwam - of dat ik hem al die tijd vergeten was :-( -, want het zou heerlijke lectuur in de les Latijn geweest zijn; Quintus' adviezen zijn herkenbaar 'politiek' en actueel, wat niet altijd gelijk staat met 'ethisch hoogstaand'. Enkele door De Wever aangehaalde voorbeelden:

Pleeg karaktermoord op je tegenstanders, maak hen bijv. 'guilty by association': in hoofdstuk 2 en 3 wordt de beerput van Marcus Antonius en Catilina opengedaan. Quintus' advies in hoofdstuk 13: Zorg, indien mogelijk, dat er een nieuw schandaal over je tegenstanders aan het licht komt, iets met misdaad, zedeloosheid of corruptie, al naargelang het past bij hun karakter.

Maak gebruik van het 'bandwagon effect': hoofdstuk 9, waar Cicero de raad krijgt altijd veel aanhangers rond zich te hebben, vooral op het forum, zodat zijn zichtbare populariteit een 'aanzuigeffect' zou veroorzaken. (En niet lang na De Wevers speech kon hij van datzelfde effect profiteren, toen aanhanger Siegfried Bracke een vloed aan nieuwe partijleden aanbracht.)

Spreek de mensen persoonlijk en met hun naam aan en ga persoonlijk overal op uitnodigingen in: hoofdstuk 11 en 12 beschrijven het campagnevoeren tot in de details. (In de 'nomenclator', de slaaf die zijn meester moest helpen met het onthouden van de namen, ziet De Wever de huidige campagnemedewerkers.)

Als je om iets gevraagd wordt, beloof dit dan altijd en als je toch nee moet zeggen, doe het dan zo voorkomend mogelijk: hoofdstuk 11 over de 'verkiezingsbeloften'. (De Wever heeft na zijn speech beloofd, daarom gevraagd door de organisator, dat hij de tekst ter beschikking zou stellen. ;-)